201
Iaéén werd Jan van achteren vastgegrepen en heel leelijk aan zijn jasje geschud. Ay! roer te loefert op, ... holle zee, . . . het loodsje grijpt!
Toen rende giftig de dappere en krijschende wachtcommandant terug met een bajonet en doorstak hem de knie. Jan zonk kermend in elkaar en werd weggebracht naar de buitencel. Daar lei het zoo donker en kil-vochtig als de nacht.
Eindelijk, na uren, kwam de dokter om hem te verbinden. Den volgenden dag al huppelde de luitenant op hem toe om hem gehoor af te nemen. Hoogwater temee! In Jan ziedde nog een razende woede na. Hij kon kermen van koortsheete steekpijn. Maar hij klemde zijn kieuwen op elkaar en er ontglipte hem geen klachtje. Alle zeilen schuins tegen boord aangetrokken langs-scheeps! Toen lieten zij Jantje een poosje met rust, omdat zij merkten dat hij toch weigerde te antwoorden. De pieperige luitenantjes keerden den volgenden dag weer en sarden hem hevig. Zichzelf sprak hij toe, onder al het du-velig getreiter:
— Li die separate keirels maar klesseneere om hun boei! Sukke kriebelige blaffertjes as die joggies, die bibberende dek-gasten, die hullie snor nog in de mangel hadde staan, kon ie teméé wel kneuse ... asse me te ni in 't seesog kwamme .. .
Maar zij bleven sarren. Zij hielden niet op. Toen plots trapte Jan een lat van zijn bank en in brullende waanzinwoede sloeg en klapperde hij daarmee in het rond, alsof hij te maaien stond. Weer holden zij allemaal weg voor den dolleman en hoorde hij zijn celdeur zwaar dichtgrendelen.
Den volgenden morgen werd hij naar het bureau geboft, om opnieuw ondervraagd te worden.
— Good baay,... zei hij ironisch-beleefd,... ik bin Luthers gedoopt.
Een sarcastische woede-pret brandde hem op zijn tongepuntje. Hij zou het anker kappen, wanneer het moest! Plots ontkropte Zich alles in Jan en hij vertelde den heelen mikmak. Hij werd