199
Toen vroeg hij stram-nijdig en glashard:
— Hoe ziet de generaal er uit?
Jan wist wel, dood-stom, dat een groot-majoor een zilveren ster op eiken kraag en een gouden balk had, een overste twee sterren met een balk, een colonel drie sterren met een balk.
— As ... as ... 'n kolenel drie sterre mit 'n gouwe balk op se kraag heit... dan mag d'r 'n generaal wel 'n halve hemel van sterre hebbe mit 'n groot vlot van balke d'r op___wa luit'?
De maat was vol. De luit' schold en werd kalkoenig-rood.
Jantje kreeg zonder kapsones vier dagen kwartier-arrest van den Luitbaas. Nu moest hij ״zijn eigen" steeds melden bij den commandant van de wacht. Reddingbroek voor! Daar had hij tabak van. En hij nam de kuierlatten. Toen stiekem, ging hij werken aan de slijmploeg van „Maatschappij Nederland". Na zes maanden peezen zwierf hij weer los rond. Monsteren kon hij niet vanwege zijn desertie. Weer trok hij de stoute schoenen aan en liep de kazerne binnen. Oolijkjes zei hij toen tot den wachtcommandant:
— Ik kom nét terug van een boodskap vader!
Dié dacht dat Gouwenaar dienst had gedaan en onnoozeltjes vroeg hij hoe lang hij uit was geweest.
— Nie soo erg lang Mullah!... zei Jan Gouwenaar met een verbeten lachje ... ik had ommers 'n lek onder de waterlijn. Effetjes ses maande maar!
Als een stier stoof de vent óp en wou hem een drijver op zijn lampjes bedeelen.
— Je staat me te bedondere!... schreeuwde hij.
Toen lei hij den dommen lijp uit, dat hij een „snoodaard", een deserteur was en lichtschuw. Dadelijk werd Jan knijp gezet.
Met een heel stelletje gestrafte militairen kwam hij saam te hurken in het cachot. Dat vond Jantje een gekloft zootje. Het leken immese moord- en brandschreeuwers, die al-derlei grapjes en tierelantijntjes verzonnen in disconto!
Na zes weken stond Jan weer met zijn zeiltuig en zwaard op vrije voeten en stiekem af te wachten wanneer hij in Den