198
lezen en nóg krulde het boven Jan's driehoek. Hij hoorde maar niks anders dan: de kogel en nog eens de kogel; van tien jaar en vijftien jaar. Hij werd er teméé stapelgek van. Het was alsof heel hooge kóokgolven tegelijk zijn ooren inbruisten.Entoen de sergeant-majoor of zoo een klip, de krijgswet opnieuw had voorgeschreeuwd en hij er nóg minder van had begrepen, toen teekende Jan pas, met een geweten zoo kalm als een koelkamer.
De eerste paar weken ging alles goed met Jantje, omdat hij nog geen dienst had en zij olmse spelletjes mochten spelen op de binnenplaats, net als verdwaasde en dwingerige schoolkinderen. Niemand dan hij bootste beter den Indianengang na. Hij kon gebukt-sluipend loopen als een spoorzoeker en hij zette worgoogen als een gemartelde wildeman. Ook in gymnastiek en armzwaaien bleek hij een heele piet. Bij de aartsvervelende theorie grapjaste Jan voortdurend, maar zoo dood-nuchter, dat zij er eerst allemaal inliepen. Toen zij hem vroegen wat een standaard was, poekelde hij onnoozelig terug of dat soms een ding was waar een vogelkooi in hing? Het was natuurlijk een vlag van het Oranjehuis. Maar je kon nagaan wat om zijn stommiteit gelachen werd. Zelfs de luitenant schoot in een verslikking en zei droogweg:
— Nee knaap .. . dat is een vlag.
— Ajakkie,... viel Jan bij,... dat maakt 'n mins soo geel as koek van de skrik.
Telkens als de luit' hem iets vroeg en hij gaf een idioot-dwars antwoord, volgde er verklaring. En heel autoritair klapte Jan dan met de tong en zei heel gemoedelijk:
— Goeje!
Toch moest de luitenant aldoor hém hebben. Toen hij Jan eens op theorie vroeg:
— Als je staat te praten en er passeeren meerderen, wat doe je dan? . . .
antwoordde Jantje ijskoud, langs zijn neus weg:
— Nou luit'... dan geef ik geen draadje sjoege!
De goudvink keek kwaadaardig alsof hij hem op wou vreten.
Draadje sjoege: geen moment aandacht,