97
— Dat is noodsein!... gierde Jan,... nou het ruime sop in!
Onder gekakel en gesnork schoot het zwoegstoken voor de blakervuren op. Waren zij eindelijk klaar, dan gingen de stokers en oliërs een koel blaasje halen onder de luchtkoker. Nou konden de vuren knetteren en ruischen en vonkvliegen zooveel ze wilden, de zwoegers zogen frisschigheid de longen in, al zwommen hun steekpak, hun blauw broekje en hempje in het zweet.
Een van Gouwenaar's grootste en laatste reizen was nog geweest, zijn monstering voor Krakatau. Toen had hij gezworven langs Schotland en langs Italië, Egypte, Voor-Indië, Sumatra, Java, Soerabaja, tot pal in den oorlogstijd. Op deze reizen kon hij den angst voor de torpedo's en de mijnen bij de menschen zien werken als een verwilderende razernij. De maats zelf hadden heel wat red-karweitjes aan de hand gehad en aardige belooningen opgestoken. Op zijn laatste thuisreis nog, toen zij een halven dag van Falmouth af waren, kregen de jantjes een draadloos bericht, dat zij naar Noorwegen moesten gaan, omdat er zes Hollandsche schepen in den grond waren geboord.
Maar ook juist in den oorlog begon voor Jan Gouwenaar pas het ergste van zijn zwalkerig bestaan; brak eerst voor goed de tros! Hij moest zichzelf aangeven in Haarlem als bomsoldaat. Tien maanden was hij al over zijn tijd; van de jaarklasse landstorm 1911. In Haarlem moest Jan Gouwenaar naar den commandant, om zich den volgenden morgen aan te melden in de Oranje-Nassau-kazerne van Groot-Mokum. Daar werd hij dadelijk in een gekloft pakkie en een fijn-uitgestreken poenbroekie gestoken; kreeg hij jofene klompies onder zijndraai-hielen en toen hoorde hij ineen al de daverende krijgs-artikelen afdreunen, waar Jan niets van snapte omdat hem zwaar de peé kriebelde. De sergeant-majoor, met een stem als borrelende cognak die door een te nauw keelgat schoot, was overdruk in de weer. Die olielamp liet hij de stukken wel driemaal over