194
En raai eens wat se sei:
Hier hebbe jullie 'n skip van mij.
Jan kromp van de pijn, terwijl de zang daverde om hem heen. Hij riep, maar wierd niet gehoord.
Me krijge toe ״De Graute Beer",
In de gedaante van 'n naut. De hofmeister most 'm krake, Toe hadde me weer laud ...
Jan kreunde om hulp, maar het volk hoorde hem nóg niet. De kok mot ete kauke, De stokers de vure stauke, Jan Klaassen sting an 't roer, Machinist stong op de loer. Stuurman stong te gape, De donkieman hij smeert, Soo heb 'n ieder wat geleerd.
De tremmers in de bunker Se sien soo swart as roet.
En auk de kleine pierik, Die in de mesrom wese moet.
Jan kon het niet langer meer houden. Hij gilde van de pijn. en half blind strompelde hij de ijzeren trap op en holde het dek over.
III.
Zeeman en soldaat. — De knokkende dienstweigeraar. — Skip ehoi!
Nog allerlei dingen vertelde Jan Gouwenaar van zijn zwerftochten met de snoeptafel, zijn varen met enkel-kop-en-kont als stoker en als olieman, in het stookhol. Hij verhaalde van zijn afbuffelen hier en zijn afbuffelen daar, en vooral van zijn hachelijke zwalken tijdens den oorlog, met de mijnen en de onderzeeërs. In die periode juist had hij, bij Manus, blonde Corry gezien, Mooie Karei en het heele zwerfstelletje van Zeedijk, Nes en Jordaan. Van Corry was hij stapelmesjokke. Dat werd
Snoeptafel: klein schip.