193
een slijs, hield gauw een honderd pond. Dan kon je alleen je hart ophalen door wrokkig te zingen in het donker, tusschen het oliën van den kattenkop, de eksetriën en vioolstukken: Heire machiniste, och wat 'n pelsier, Slurpe 's aves 'n klankertje ijskoud bier. Arm staukertje staat in de tremmer, Ach wat 'n^verdriet, 'n Bak gotenthee of koud water, Aars krijge se niet.
En als de mannen nabij de schafthut schuw luisterden, klonk het snerpender nog:
Heire stuurlui, och wat 'n genot, Bikke 's aves 'n lekkere pot. 'n Metraus an 't stoomroer
Gelijk Seppelin ... Héé skreeuwde de stuurman, Stuur jij 'n kwart streepie in ...
In koor galmden de stokers mee op de donkere stookplaat, en het klonk als een gierende spot door de machinekamer. De aschblazers lachten, de tremmers van de wacht lachten en de matrozen riepen van boven dolle dingen naar de ״mijn". Ook op de voorplaat aan bakboord en op de achterplaat aan stuurboord dreunde het door, het gezang. Plots, onder het zware buffelen, kreeg Jan bij het aschblazen en bij het gaten-doorsteken, een gloeiend stuk slak zijn oog ingewaaid. Hij vloekte van folterende pijn, maar de maats bleven sarcastisch zingen:
Er ware eens twee petinte, Die hadde heil wat sinte.
Se gonge an de swier, Fan 's morges drie tut vier.
Uit het donkere stookhol, waar de vuren heet-gloeiend goudlicht afschroeiden, klonk het gedempt mee in koor: Bij tante Neil gelaupe, Gaan me 'n kleintje kaupe,
Manus Peet. 13