Igó
— Aars schoppe me je te water ... klapper jafaan!
De machinist kreeg tien beenen, zoo rende hij, en de maats gierden, sloegen elkaar lamlendig-zot met de vloeimutsen om de ooren, prikten in schermstand malkander met de houten sabeltjes de borst in en bekeken haarlie zuigelingentronies glunder als struikelende clowns. En tegelijk verklaarden zij, niét aan het werk te zullen gaan of de equipage moest voltallig wezen. Zulke stijfkoppige mirakels van Groot-Mokum!
Den volgenden dag was alles op stel, doch even voor de afreis sprong de mesjokkene chef-kok over de reeling. Die domineevan-de-pot kreeg een verwarden schok door zijn menschelijke harses en wou niet meer met het zwalkende prauwtje mee. Rap klauterde hij aan wal en wég was de jofene hachelaar. Maar toen gingen zij met Jan voorop, weer dadelijk naar ״kap-pie" toe, om plechtig te zeggen dat zij niet gingen afvaren of eerst moest er een nieuwe kok zijn.
In Paramaribo kregen zij om twaalf uur, in het logie, bijna rauwe aardappelen en walgelijk, stinkend-zout vleesch. Ronde Jan weer haantje-de-voorste. Hij deed het driftig-aanklagende woord bij den kapitein en zei vlakweg:
— Kap ... wa bikt u 's middags an tafel?
Toen zei die, doodgemoedereerd zoo in schijn:
— Nou jongen ... aardappelen, vleesch en een groentetje.
Teméé schoof Jan hem ijskoud en kloek den bak met aardappelen en het stinkende vleesch onder den neus. De kerel snuffelde onrustig.
— Nou,... zeit kappie,... wat mankeert er dan?
Jan brulde met de maats mee:
— Alles kap!
— Alles?
— Niet te fréite ... feur 'n sieke hond nóg nie!
— Niet te vreten? ... seit kap weer sarrerig ... 't Is kostelijk voedsel.
Toen werd Jan Gouwenaar, de opvlieger, zoo dol-woedend, dat hij alle twee de etensbakken tegelijk op den kop van den
Hachelaar =־