igï
kapitein kantelend omplantte. Daar had je de poppen aan het dansen. Razen, krijten, vloeken van heb-ik-jou-daar. De kapitein zag er uit als een afgodje van gummie. Het vieze vet droop en druppelde langs zijn kin en Jan wenschte wrang met het scheepsvolk:
— Eet smakelijk kap!
Die stotterde likkend en spuwde schuim van kwaadaardigheid.
— Maar a-je nie drommelsgauw maakt dat we iets aars te bikke krijge as hondevoedsel... dan-en־monstere me allemaal af, dadelijk!
Afmonsteren kon de kapitein niet. Want hoe kreeg je op stel en sprong in Paramaribo ander volk? En toch gingen de maats niet eêr aan het peezen, of er moest ander bikkement gereed staan. En dat kwam, den volgenden dag al; geklofte, fijne bruingebakken biefstuk met bruingebakken aardappelen en een gezouten varkenslapje toé. Toen pakten zij met smijige tevredenheid het werk aan en zwoegden met onbluschbare kracht. En nooit meer heeft de kapitein ze bedorven, stinkend voedsel gegeven. Want dan gong de vlet weer kantelen. Daar had hij nou tabak van! Alleen Jan Gouwenaar kreeg tien dagen, omdat hij in doldriftige kuur, de bakken op het knarretje van het ukkepukkige kapiteintje had omgekeerd. En toen begon het lieve leventje opnieuw. Tezaam drongen de maats op de commandobrug en verklaarden heftig niét te zullen gaan werken, als Jan Gouwenaar tien dagen straf moest lappen. De kapiteine-man rimpelde zijn voorplaat en krabde zich leukjes in de steile pruik. Hij had nog nooit met zóó een prachtstel kerels gevaren; die, als zij eenmaal bezig waren, als duivels zich door de moeilijkste dingen heensloegen en voor niets te lui bleken. Zij blaften en brulden wel, maar zij deden toch altijd volkomen hun plicht. Toen schonk hij Jantje zijn tien dagen. Het gat in de kiel weer gestopt!
Het wemelde eigenlijk van avonturen en gebeurtenisjes tijdens al zijn reizen op passagier- of vrachtschepen. Vooral