85
maar door de lucht. Het was gaar of ze in klodderschuim woelden en vooral die genoeglijke boer met zijn varkens, zooals de maats de bruinvisschen noemden, die vóór het schip uitzwierden, deden hem spartelen van pret. Maar er was geen schuit op de heele wereld die zóó snel door de gevlochten matten voer als dié visschen zwommen. Ze keilden temeê nog feller door het water dan zalmen. De haaien vond Jan nijse waterlanders, snoezige, geklofte beesies voor den vischhaak, met een muil waar Mie Raapsteel uit de Kromme Palmstraat ook niet van terug had. Als je daarmee voor het gemot viel, was je écht voor de haaien; kreeg je geen onderdak mee. En dan had je nog de noordkarpers, de walvisschen, heel schaars te bezichtigen; die balanceerden zoo een mooi fonteintje op hun gesjochten neus; krek het Frederiksplein in Groot-Mokum. Tjoep, dat spoot zoo maar met kleuren de lucht in; het was effetief vuurwerk, zoo tegen schemeren, over de golven. Het fijnste vond Jan, toen hij van Alexandrië op de thuisreis naar Buriane voer, om sinaasappelen in te nemen. Hij zoog niks anders dan het rinsche sap. Toen hij in het hartje van Algiers kwam, werd hij stapelmal en zwaaide hij iederen morgen op lichte hakken aan boord. Het had dagen achtereen eerst niks dan geplompt. Alles was daar aan wal modder en modder geweest en zijn trappertjes leken wel uitgevreten zeeduivels. Maar inéén had de zon weer de heele wereld met goud laten volloopen en toen had hij daar een brok van de aarde gezien, zooals hij het nog nooit geknijsd had, al was hij nog zoo een branieachtige plasman die zeebeenen had voor tien opscheppers tegelijk. Het volk leek één Moor en al Moor. En soms wemelde het van nakende kerels met nootjeskolen-bakkesen, die herrie maakten als negotie-schreeuwers op de Zaterdag-avondsche Nieuwmarkt, vlak onder de donkerende Waag. En hij begluurde wijven met valsche slangenkoppen, vercierde pijlen, en de knar vol kralen en steenen en versche blommen, bij wie hij weieens een paar pieken liet springen. Op den dag zag hij niets dan zand, lucht, kameelen, paarden en
Oaar: geheel. — Oevlochte matten: golven. — Trappertjes: schoenen. — Knar: kop. — Oemot: H:t Qerecht — Pieken liet springen geld verteerde. — Nijs: dartel