86
ezels, en hij voelde zijn heele karkas vermolmen onder het razende licht en de invretende kleuren. Daar was geen toppie tegen bestand. Zijn meezwalkende maats schertsten schimpend op het land:
— 'n kelére-son!
— Je vet smelt op je bassie ...
— Kijk die Aboe bin Aboe op se gele tredderikke ... tik een deuntje op se hakke.
— Sa 'k stikke ... die wordt sarremoniemeester op de bruilof van Hompie!
— Hompie uit de Anjelier?
— Pas op ... aars krijg je 't op je graatje ...
— Olie jij maar je kruiskoppe, jobstraan!
En tezalm zoo, zongen en bierden zij onder den vreemden hemel:
Bij Tante Neil gelaupe Gonge me 'a kleintje kaupe.
En raai eens wat se sei: Hier hei je 'n skuit van mij.
Toen hij weer in Holland kwam, stond er net een staking op uitbreken. Eerst wou Jan weg. Maar even later dacht hij :nee, ik blijf. Een week van de staking had hij meegemaakt en toen hij op trip kon, zat hij weer knijp, omdat hij tijdens de staking een inspecteur van politie mishandeld had.
Daar kreeg hij liefst drie maanden voor. Maar die linke officier van justitie ging in hooger beroep en toen schonken ze hem er heelemaal gratis en alleen voor de gezelligheid, nog vier maandjes bij. Zijn moeder was in dien tijd gestorven en zijn vader hertrouwd met een schubbig karpertje van den Zeedijk. Jan vloekte van wroegende ellende en kale narigheid toen hij uit de duistere nor kwam; óók omdat hij na zeven maanden weer moeilijk een schip onder zijn voeten kreeg. Hij liep anders nooit langer dan een week of hoogstens veertien dagen er zonder. Eindelijk bestak hij weer de ״Oranje Nassau"
Toppie: hoedje. — Kelére-ïon: Cholera-zon. — Knijp-zitten: gevangen, — Karpertje; lichtekooi,