i8i
Eindelijk, na maanden zitten, moesten de jongens voorkomen. Het was een ruw geduw en gedrang in den potwagen, voor de rechtzaal. Zij leken wel het grootste kaaigeboefte. Want allemaal waren zij met kabeldikke paternostertjes aan elkaar vastgeklonken. Toen de stoet een trap afrende, struikelde de voorste man en al d'andere gezellen brokkelden boven op hem te hoop. In die griezelige ellende en zenuwachtigheid van hand- en voetboeien, die de polsen en enkels heet deden opzwellen, moesten zij nog grinniken ook. Maar dadelijk erna, snikten zij van geluk, dat zij weer eindelijk eens varsche lucht mochten happen.
In de rechtzaal werden zij direkt aangepoekeld door een Hollander, die de consul bleek te zijn. Dat was een goede, beste, hartelijke man en zij juichten van plezier, alsof zij op een bruiloft in de Willemstraat, wippertjes stonden te hijschen. Tranen kregen zij in de oogen toen zij na zooveel tijd, voor het eerst weer Hollandsch hoorden in den vreemde.
— Seg maar da me ofer de put getrouwd binne en dat me kootertjes in Kali Kales, an de Indische wal kuiere,... schertste de biechtgrage olieman met den uitgemagerden hals.
— Och meheir ... geif die kaalkin rejaal 'n kopstoot... sel je'm sien 'n oferlaupie make,... pruttelde Jan erbij.
Maar de consul gebood stilte met een scherpen snauw en een zwaar-plechtig gebaar.
— Hou je kakement,... lolde Jan naar een matroos die geen stom woord gezegd had ... die rotte kanteloep daar, mot eerst poekele. Kijk ... hij soekt se asem al!
— Daar staant nou 'n mins in al se naakte schande,... jammerde de berouwzieke olieman, terwijl hij zijn uitgemer-gelden hals bangelijk betastte.
Een piek-fijn, kraai-zwart mannetje was parmantig voor de rechterenschaar aangestapt, met drukte-makerige gebaartjes en een piepert van een stemmetje. Soms krijschte hij als een hongerige wintermeeuw op een Amsterdamschen schoorsteen. Het was een Italiaansch advocaatje, dat voor geld door hun
Kootertjes: kinderen.