!»3
Bond gestuurd, voor de jongens pleitte ״mit de dokemente in de klewiere". Het werd een vreeselijk harrewarrig kluwen van vreemde woorden en van ratelzinnen, zoo snel soms, dat het leek of hij met zijn tikkende tanden een tambourijn bespeelde. En dat alles, mijmerde Jan weer zuchtend, door die paar onnoozele stompjes die zij beis smerissen hadden toebedeeld, omdat zij nog een half uurtje langer in een kroeg wilden blijven plakken! Zij waren toch geen brandstichters of flesschen-trekkers, maar kedinne varensgezellen, die een paar jobbe groentjes, een paar loenenaars, een neusbloedinkje hadden getrakteerd. Dat was alles!
Toch werden de beklaagden dienzelfden dag vrijgesproken, nadat zij tien volle weken in die rottende luizenkooi gevangen hadden gezeten. Overprikkeld en dwaas-brommerig eischten zij zelfs schadevergoeding. Maar de Hollandsche consul zei gevat:
— Fort maar... wees jullie maar blij, dat jullie morgenmiddag om twee uur al vrijgelaten worden. Jullie hebt je vergrepen aan twee rechercheurs; die mannen die de revolvers hebben getrokken; en jullie hebt een paar politie-agenten mishandeld.
— 't Is gedaan mit Kaatje, ... zong spottend Jan, nu hij bemerkte dat er niets met dat donkere volkje te beginnen was,... nou gane-me vogeltjes dresseere!
Gouwenaar en zijn tuchtelooze maats konden dien heelen nacht niet slapen van gejaagdheid en hevige ontroering. Het was een akelig-nerveus gewoel en het bleef eerst een rusteloos omgekantel op de luizenmatrassen. Zij lachten, stoeiden en gilden van genot, de zwervers. En Jan rook plots een prentenboekengeur, zooals toen hij een dreumes was van tien, op Sinterklaasavond. De gezellen, brandend-opgewonden, bombardeerden met drinkkruiken en eetbakken, de keldervenstertjes en de traliën. Twee Spagnolen en drie Duit-schers, die ook als gevangenen in het hol zuchtten, maar nog
Peis: twee. — Jobbe: argelooze