iSo
's Morgens als de koetjes kraaien Seil ik naar me moesie toe.
Hij zag dien slungelvent nou levendig voor zich, met zijn blonde zuigelingenkrulletjes over zijn heele zwabberklapbes. En Manus de Kriek, die al maar tegen den piremeseurderigen opschepper sarde:
— Mijn saffiaantje trekt... joü pijp brandt in.
Op een dag verscheen er een gevangene ttisschen twee soldaten in de kooi. Hij droeg voor zijn borst een bak met allerlei heerlijks: versch brood, tabak, sigaren, cigaretten, lucifers, vloei-cigarettenpapier en koek. Dat kon je zoo maar uit de kantien koopen, als je poen liet rammelen. Maar Jan en zijn makkers hadden noppes en al het heerlijks ging strak en roerloos hun neus voorbij.Het was dood-droefgeestig om te hooren, hoe die kerel met den bak schreeuwde:
— Speca, lebreta, lerejente ... terwijl niet één van de ge-sjochte goosers spieën had om iets op te pikken. Toen scholden zij het maar voor nepschauren.
's Zaterdags mochten zij naar de familie's in Holland schrijven. Maar dat was kale comedie. Zoo een hooge mieter had zeker maar wat smoesjes verzonnen. Want hij had geschreven naar zijn moeder en zijn vrienden en naar dat zwarte, stoeische mokkel van Blauwbaard op de Anjeliersgracht, en nooit-niet één lettertje terug ontvangen. En ook de maats hadden fijne fleppies gefeberd. Maar die hadden ook nooit-niks hooren terugkraaien van de werf. Jan begreep eerst later waarom. Want toen gongen hij en nog een kwinkwanker een paar brieven schrijven naar den Hollandschen consul en naar nog zoo een deftige dekschuit. Maar ook die had nooit-niks in handen gekregen. Nogal wiedes! Omdat de kattebelletjes verscheurd werden zoodra de wacht ze in handen kreeg. Het was om je platvoeten te vloeken, maar het gaf geen snars. Je kon die radde kerels, die mastlieren toch nooit overkakelen. Zij zeiden wat zij kwijt wilden zijn, die pijpedop-pen, en wat de maats poekelden kon niet worden verstaan.
Nepschauren: waardeloos goed.