74
om ergens een glaasje wijn de dorstige keel in te kantelen. Al de varensgezellen waren vroolijk uitgedrenteld, na een paar weekjes met stijve beenen op woedende zee te hebben rondgezwalkt. Toen zij de verlichte ruiten van een groot café zagen opdoemen in het vreemde duister, trokken zij als luidruchtig lachtroepje zeelui naar binnen, bij Duitsche Ida. Zij bestelden naar 's lands gebruik, een paar flesschen wijn. Een pretstoeier uit het zoodje, die naar scherpe salmiak rook, begon plots voor te dragen. Zijn Kattenburgsch bleef onverstaan. Maar hij maakte zoo aapgekke mimiek, dat al de gasten bulkten van den lach. De matroos zong van zijn platte grommetjes en van zijn plat wijf, van Oost-Noord-Oost als ze in Holland de muggen binnen kregen. Hij zong daarna iets triests van het armenhuis en van zijn broer die ״peesde op de meluk". Een daverend handgeklap brak los en eenige jolige bezoekers trakteerden op wijn. De kastelein zat te loeren als een havik op een duif. Toen zong er weer een van het gajes, van de nachtspieses waar geknipt werd en ook Jan Gouwenaar gromde een deuntje af: als de haan kraait komt er mist en: melk op wijn bracht venijn, maar wijn op melk was goed voor een elk.
Tegen half twaalf moesten de Hollandsche, schreeuwerige, bonkig-sterke jongens „wegens sluitingsuur" opstappen. Zoo werd het althans aangezegd door Duitsche Ida. Maar juist toén begon het lieve leven.
— Ik schouw je waar,... gilde een varensgezel, dronken ... me ankere nie óp as dié mikmakkers plakke blijve ... Me make halles, smeercelinder!
En hij wees op twee fijne heeren, die achter hun tafeltje zachtjes zaten te smonselen. Weer klonk er dreigerig een vermaning. Jan, in zijn Hollandsche lompheid en met veel slechten wijn door zijn keelgat, voelde zich mét zijn kameraden diep gekrenkt. En hij zei het Duitsche Ida en den kastelein, met dronkemans-smart en -wanhoop in zijn stem, pal in hun facie.
— Die twee dekskuite daar, die selle mee op 't karfeel. Me binne kaps ... hullie ook.
Peezen op de meluk: zakrollen — Nachtspieses: nachtkroegen. — Knippen: arresteeren — Halles: herrie.