173
Uitgemergeld gat teringbleeke moeder Gouwenaar in het somber-druilende raampjeslicht van de achterkamer te mijmeren, beklemd om haar voorgevoel, dat Jan haar misschien spoedig missen moest.
Even vóór zijn afreis naar Rotterdam had Jan toén juist Manus ontmoet, ergens in den omtrek van de Nes. Halfdronken was hij aan het zwabberen geraakt en een kroeg ingezwaaid. Met dien mismaakten roerganger had hij direkt dikke vriendschap gesloten. De Bochel viel in zijn flank, al was hij een rare zeilkast. Jan voelde zich dadelijk heelemaal op zijn gemak, omdat hij alles bij Peet kon uitflappen, alles wat hij wou. En de bult, doodbedaard, pruttelde maar stiekem van:
— Waterverf,... dun spoelsel!
Jan lachte zich krom om de paraatheid van Bad-Aap en op geen enkele reis meer, kon hij zijn bakkes kwijt worden; dat wou zeggen zijn prentje wel, maar zijn wezen niet. En al scheelden zij om en debij zestien jaar, al die dagen gong hij met Manus om als een schoolspeelgenoot. Zei hij teveel? Welneenet! Als hij wind blies, blies Manus tegenwind, en vertelde hij van regen en golfslag dan was Peet er met zijn verhaal van slop en straat, buurt en gracht.
II
Gouwenaar in het gevang:. — Zwalken over de oceanen.— De ruimteloosheid in de oneindige ruimte. — Stookhol en horizon.
Van Rotterdam eerst, gingen zij lading innemen voor Malaga en daar vandaan naar Genua.
Op deze tweede reis al, raakte Jan verloren in zijn eerste schuwbarig avontuur.
Met elf man gingen zij 's avonds den donkeren Genua-wal op