172
se toekomstige vrachtkarretje. Maar toch, hij sprong van blijdschap dat hij terug was in Mokum en weer zijn bakkie dampende leut slurpte tusschen de vunze muurtjes en bewasemde ruitjes van het Maagdelievenkamertje drie-hoog-achter.
Zijn vader was woedend geweest, dat hij geen snuisterijen van die verre landen had meegebracht.
— Daar komp me soo'n kernak mit s'n trippelstap s' eige ophijsche en brengt alleenig se arreme en beene mee. Je sou soo segge ...
— Steek de maurd, sleepskip,.. vloekte Jan schril,... en la me effe rustig aseme.
Moeder Gouwenaar huilde in de middaguren vast een honderdtwintig minuten lang, en ook Jan's kribbige zusjes keken beteuterd, dat zij geen presentjes hadden gekregen.
Jan's tweede reis volgde vlot daarop. Weer met de ״Achilles", maar nu monsterde hij als stoker. Nog een week kon hij aan wa blijven en iederen dag liet moeder Gouwenaar hem een stukje hortsik in de reuzel braden op het fornuis in de pan, of hem kommetje na kommetje garnalen opscheppen, zoodat hij vetjes smakkelde als een verwende knaap.
— Hij freit weer mit se dikke flerk, ... snauwde de oude Tèun, afgunstig op zijn braniezoon.
— Ouwe klep, motorrr-suiger ... gaan jij snoek vissche in 't akwarium,... hoonde Jan nijdig terug.
— Nog eene uit de Frikedellebuurt!... spotte Jan's vader grimmig weer.
— Pel je eige lieferst af, molme tjalk ... a-jij je eige nie mit apeseep boent, lijk ie Monkie Brand wel...
Oude Teun vloekte en dreigde:
— Wa let me?
Jan draaide hem den rug toe. Het was in den middag en moeder huilde weer. Vader schimpte voort:
— Da mins? ... Die heit 'r tweepirsoons-ferdriet... Wacht 'r mit j anke tut ikke 'npandinde Warmoesstraat heb angeslage... ka je de kelders folhuile mit klachte en trane.
Vrachtkarretje: vrouwtje.