!71
toen naar Oneglia, in Italië. Hij droomde in zijn kooi, waarin hij ineengeknoopt lei als een Sneeker kabel, van al de landschappenwisselingen. Hij zag zich als hovenier, zomerbollenzaden strooien en hij stikte half onder de goudlichte bloemen en den bezwij-melenden geur van al die Spaansche en Italiaansche tuinen. En hij zong zelf op de guitaar, als een pekaan gondeliertje, rammelend en schuifelend van de gouden loovertjes: O liefde, met uwfes pijle ...
Maar hij kwaakte zichzelf met een vet kikkerstemmetje wakker en hij had in een ommezien en heel zuiver van hart, trek in paling met zuur uit het hobbelkarretje van Teun-Jaap־in-de-Wang uit de Tuinstraat.... Soo'n olmse setschipper als ie ook was! Jammer, er was alleen majem, majem en nog eens majem.
Hij zag Savona, Genua, Ligorno, Napels, Catania, Messina en Palermo. Toen weer terug naar Gibraltar om vijftienhonderd ton kolen in te halen en goddank, eindelijk,... eindelijk naar Groot-Mokum. Zijn hart hamerde toen hij den violet-neveligen Hollandschen wal zag opdoemen. Hij kon wel blerren van geluk en ontroering. Zijn keel leek heel even dichtgeschroefd te worden. Waarom trok hij eigenlijk zoo een meloensnoet zonder premie? Hij wist het warempel zelf niet. Zulke eigenzinnige grillen, ajakkie! Zei hij teveel? Welneenet! Want eigenlijk had hij een diepen afkeer van die morsige sloppen en beerputlucht-uitwasemende krotkamertjes in de Maagdelievenstraat, van die glibberige moddergangen en van heel de ranzige buurt. En ook voelde hij weinig meer voor de woelig-trage, wreed-zui-pende kameraden; luttel voor Pomp de Suikermop uit de Looierstraat en nog minder voor Jan de Likkert uit de Klokkengang en even weinig voor Vuisie uit de Rozenstraat. De zee was wel stil, eenzaam en heel groot, maar Jan kon lucht happen zooveel hij wou en hij kreeg een wemelend brok van de verre wereld te zien. Jonge, jonge, nooit had hij besneeuwde bergen van zoo nabij ״geknijsd" en drijvende ijsgrotten en wouden en woestijnen. En zijn kooi hing temêe vol gekke kraalgordeltjes en malle schortjes, en vogel-lokfluitjes, die hij stiekem bewaarde voor ...
Majem: water. — Olms: verlept.