70
o, die eerste trip! Wat een vreemd-verzonken gevoelens waren er door hem heen gerild, toen hij in de dool-duisternis de wacht had en bij aflossing op het sloependek, niets, niets zag dan pikkenacht rondom, en dl maar hoorde het ruischen en klotsen van de golven tegen het schip. Nooit zou hij dat smartelijke en zielsbeklemmende heimwee vergeten, op zee, als van ver, signaalhoorns gedempt zongen in het duister van d'oceaan. Het was een vreeselijk onvoldaan verlangen, een smeekelijk hunkeren naar iets vlakbij's, en toch aan allen kant bleef ongrijpbaar de eindeloosheid je aanstaren. Het was een huiveren van zijn hart, een rusteloos knagen binnenin zijn menschelijk wezen, een oproerige en een droeve eenzaamheid die hem soms stil en schaamtevol deed grienen. In den klarenden morgen zonken angst en weedom uit hem weg. Dan ging hij weer morloos naar de diepte, soms als stoker invallend op bevel van den tweeden machinist. Zijn kruiskoppen hadden dorst en ook zijn bovenrooster moest hij oliën. En terwijl hij de vettigheid bij schemervuur zag afdruipen op de vioolstukken, zijn drie cylinders van hoogen, middelbaren en lagen druk rustiglijk bediende, zong hij een liedje:
Al mijn geluk en freugd is verflauge, Ik sit in druk mit natbeweende auge, Een skoon minnaar, Een skoon minnaar, Hep mijn skandelik bedrauge!
Jan Gouwenaar zag allerlei vreemde streken en vreemde landen. Noü niet met zijn stijf-blauw boezeroentje en kegje op stap, in de mistig-klamme winterochtend-donkerte van grauw-guur Amsterdam. Nou moederziels-alleen tegenover telkens andere gezichten van onbekende volkeren die klesse-neerden met paard-groote oogen, dat de ziel van overleden moeder of vader ... in een spinnetje woonde, dat driftig heen en weer kuierde op het graf!,.. Nou di lapte sijn vóóralbij'tleefe!...
Het eerst kwam hij in Schubal, een plaatsje in Spanje.Toen voer hij naar Wigo en Lissabon; toen naar Malaya en Barcelona, en
Kruiskoppen en vioolstukken: raachine-gedcelten. — Trip: tocht.