164
schrikkelijk geplaagd. Tót hij op een dag, moe-getergd, in een woede-vlaag wegholde om niet meer terug te keeren.
Goeje Jezus!... een paar apen van knechten hadden hem een halven dag lang al zuur gesausd; laten zoeken naar een stuk gereedschap: den schop met het hoedje, en toen goed-geloovig hij er naar vroeg, kreeg hij een allerpijnlijksten trap, wreed-gemeen en onverwacht, omdat hij had gebedeld naar een ״schop" met het hoedje. Toornig kwelde Jan terug, brutaal, omdat al te toegeeflijk toch maar in drek viel.
Toen het bleek dat hij zich door laffe foefjes en potsen niet liet ringelooren, kreeg hij ransel.
— Alle minseharte binne broers,... had hij eens Kilometerboekje hooren zeggen tot zijn moeder, maar Hein Klapdaai geift 'r tüg geen augurkie feur!
Jan vloekte dol-geërgerd:
— Wat 'n gajes!
En slaafsche zwoeg-moeder suste zijn drift.
Eindelijk was hij van de Nederlandsche Fabriek weggeknokt.
Zijn ziekelijk-kreunende moeder vreesde een tempeest van tyrannischen vader. En inderdaad, Teun Gouwenaar dreigde hem aan „reepen" te zullen scheuren, als hij niet blikskatersgauw ergens een ander inkomen zocht. Terwijl de oude Teun Gouwenaar zijn halfafgebrande handwratten met bietenbloed en azijn bette, vloekte hij Jantje stijf:
— Nou neem ik doodgewoon minselijk 'n wippertje hè? ... en nou gaat die luisehark me lurkert, natte keel skelde,... potte-mit-komme ... da la ik nie glijje ... potte-mit-komme ...
— Ik ... ik ... ik,... stamelde Jantje.
— Pas óp dat ik je nie aufer je staart trek.
— Ikke ... ikke ...
— Wa jij... jij... jij ?... botte slijpplank! Je gaant 't ruim in, vuile schooier... Je heb 'n effetief gesond voorkomme meegekrege, slijmert!... Je moeder snurkt psalm vier ... maar ikke ... ikke bin klaarwakker. Ikke lé me nie de polse sallefe ... al freet je je oore van je kop van woede nóg nie!