IÓ5
Achter vader's woedenden rug en bulderenden dronken kop wees zijn bangelijk-slovige moeder hem, dat haar man weer den aap bereden had. Jan smonselde wat tegen, de keel zich kapot schrapend van den heete-bakoliestank en reuzelwalm, om tóch dienzelfden dag te melden, dat hij in de bankwerkerij van een automobielen-fabriek kon beginnen.
— Fluit de deur dicht big... en hoeveul hei je pir week?
Dat was het eenige wat zijn norsch-gulzige vaartje snauwend
uitstootte.
Ook in de automobielen-fabriek prutste en knoeide Jan negen maanden lang, en hoewel hij al handiger zich technisch bekwaamde in allerlei vakken, toch werd hij op een kwaden dag weggestuurd, omdat hij een opschepperig chefje een klap op zijn knar bedeelde, toen die hem eens wou vernederen en voor lafaard had uitgescholden. Met een angstdriftkreet was hij dien dwarreltol op de keel gesprongen.
— Ik trek je 'n smalspoor over je bakkes!... spoog hij uit, in ziedend venijn.
Stel je voor,___fermeel knokke, hij en zijn chef!... Jan kreeg
de bons. Natuurlijk! Zij hielden liever een flikflooier die gaapte, dan een vent die beet.
Toen was hij naar de Koninklijke Maatschappij ״De Schelde" getrokken, als handlanger van een vadsigen ketelmaker. Halfgesmoord loeiden instincten van verzet in zijn diep-gekrenkt binnenste, al temperde de vlijmende angst voor werkeloosheid al zijn oproerige driften. Ook hier onderging Jan weer allerlei schandelijke beleediging en smaad van zijn overschreeuwerige bazen, die hem als goren slopjongen hekelden en verachtten. Dat kon hij met geen stutten en latten langer overeind houden. Om tureluursch te worden! Als hij sneed moest hij boren, als hij boorde moest hij soldeeren. Zoo telkens wat anders doodmoe beploeteren onder bitse snauwen. De tergkerels gunden hem geen rust met hun sluiksche dubbelzinnigheden. Ook de blik-en gaslucht maakte hem ziek en sloom-onderworpen. Hij kreeg heimwee naar ruimte en verre luchten. Op een zonnigen zomer-