63
wegens mishandeling en wegens ״an de flesch likke" achter de schuif had gezeten, ranselde erop, telkens wanneer hij klaagde. Jan blééf toen als bakkenleeger en graanophooper, vooral om zijn uitgesloofd-ziekelijke moeder te plezieren. De baas-mouter vond hem nogal kwiek en schrander, al viel Jan heftig en scherp uit, bij ieder bevel op té strengen toon hem toegesnauwd. Doordat hij echter niet verder kwam dan tot het eeuwig-eentonige reinigen en fijnmalen van het mout, verloor Jantje allen lust en arbeidsprikkel. Na drie ellendige trieste jeugdjaren te hebben stukgebrokkeld, veranderde hij van werkkring. Een plaatsje kreeg Jan op de Nederlandsche Fabriek voor Werktuigen en Spoorwegmateriaal, als hulpvoorslager in de groote smederij.
Thuis, in de twee morsige en rookerige armoekamertjes-van-drie-hoog-Maagdelievenstraat, had het groengrauwe pro-letariërsjoggie luttel vertier. In de bierbrouwerij stond hij ook het liefst bij het helle vuur van den vuurhaard. Voor het kuipenkoelen en het aftappen voelde Jan geen aasje. Daarom was hij zoo kinderblij, naar de werktuigenfabriek te zijn overgegaan. Als jongetje al, had hij bij Gierigen Dries, éven voor de Eenhoornsluis, uren staan kijken naar paardensmeden en naar de gewrochtelijke blaasbalgen, die met zware longenzuchten het oplaaivuur toeloeiden. Tooverig vond hij tóen al het sterrenvonkend uitspatten van de witgloeiende hoeven, behamerd door den smid tusschen den schroeigeur van eelt en heet ijzer. En als hij dan 's avonds, van verre, zoo dreunend-klaar door de duistere lucht, de Westertorenklok nog kon hooren nagalmen, heel tot de Sluis, dan week hij, onder een zoet geluksheimwee en een vreemde hartsbeklemming niet van de broeische smidse, de donkere, ongedurig-stampende paarden, de wielen in het vlammenvuur, onder de balgen, en de mannengezichten hellebang beschenen in wilden gloed.
Ook op dié fabriek vond hij het geweldige klinken met den voorhamer op het dreun-aambeeld, een genotsproef van jong-toomlooze zwaaikracht. Maar Jan werd er door de arbeiders