IÖ2
— Voor 'n hap negotie?
— Nee ... se heit 't mijn afgekneld ... sóó uit mit de suip!
Manus ontstelde lichtelijk, voelde een klein vreugde-nij-
pinkje in zijn binnenste. Hij begreep zelf niet goed waarom nü juist een scheutje geluk door de deernis met zijn vriend heenschoot.
— Weer naar zee?
— Soo!
— Póferblomme ... jij bint van alle gezinte!
— Overmorrege monstere.
Er haperde een droefnishuil door Jan's stem. Manus wist geen klankje troost te vinden. Zou Gouwenaar's afreis Corry een bevrijdings-gevoel geven? Dat schokte het eerst door Peet heen. Het was laag, zonder erbarmen, maar doodeerlijk waar.
Jan Gouwenaar lei Manus' smartelijk zwijgen uit als een innig en kiesch wanhoops-meebegrijpen van zijn zielsafmatting en zijn grillig zwerverslot.
De stilte van het Jaagpad-avondlandschap suizelde rond de twee vervreemde vrienden, als eentonig boomgeruisch.
De vlieringvenstertjes, zwaar met klonterende sneeuw bevracht, leken de menschenstemmen in het dompe vertrekje, waar het potkacheltje vuurtjesrood gloeide, nog te dempen. Het petroleum-tafellampje scheen heel triest in een pijnlijk geelbleek en beverig kringetje.
Ongemerkt begon, eerst bij stukjes en brokjes, Jan Gouwenaar Manus van zijn vroeger leven te vertellen, zijn paars-getatoueerde handen traag bewegend in het schuwe licht. Want al flapte hij er alles uit, van zichzelf sprak hij zelden of nooit.
Op zijn twaalfde jaar was Jan Gouwenaar al van school gegaan en als stotterig en sufferig knaapje, een mank drijftolletje, in een bierbrouw- en bottelarij aangeland. De roggebrood-zoetige moutlucht maakte hem draaierig in het hoofd en wee in de maag, maar zijn verwilderde vader, die al eenige jaren