i6i
Eindelijk begon Jan Gouwenaar, wiens kaken grauwig uit-gemagerd leken van hartzeer, op dralenden en sleperigen toon, zacht wat te mompelen. Er was een droeve ontmoediging in zijn stem en soms gromde ze zeurderig als een enkel melancholisch gedobber van looze klanken. Dan inéén weer dommelde zijn hoofd op zijn borst en zweeg hij, strak, somber, wrokkig, als bepeinsde hij een geheim.
Manus eerbiedigde de verdrietelijke wanhoop van zijn vriend, Zei of vroeg evenmin iets. Hij kende den hevig-opvliegenden Jan, die door allerlei zich dadelijk zwaar beleedigd gevoelde en daarmee een diep gemoed meende te toonen.
Na een lange stilte, terwijl Manus tegen de tafel opleunde en onder het groezelige goud van het lampelicht dampte, er bedwongen-ironische trekkingen door zijn fijne neusvleugels trilden, viel plots Jan Gouwenaar, opspringend, met een haat-scherpe, heftige stem en een wilde woede-vlaag in de oogen, uit:
— Feur mijn part ken dat niesse, die putemmer barste!
Peet rilde. Córry bedoelde Jan, niemand anders! Manus
zweeg na Gouwenaar's haat-verdoeming en ook Jan zonk weer neer op zijn krukje, uitgeput en korzelig, het gezicht verwrongen.
Manus peinsde: nou werd het zoo stil, dat je een lucifer bij een boer kon hooren vallen. Was dat nou die oolijke, roeke-looze grasmaaier, die dartele rijmkalender, altijd met zijn griffel tot prikken klaar? Was dat nou die stoute ״senooris" uit Espana, die zwalker en landenbezwerver, die vijf jaar geleden bij hem was ingestormd als een koenfrissche kerel, toen Joden Jet nog leefde en hij Simbad den zeeman, den Nesportier en Corry op visite had? Was dat nou die uitflapper, die goedlachsche en ronde schertsspuwer met zijn schuimenden levenslust en overborrelend hart, en zijn eeuwige liedjes van de zee? Was dat nou die gebrande bruinvisch, die spiezebollige lacher met de helblauwe oogen altijd vol sputterende pret? Hij leek een geraamte „van zijn eigen", in al zijn kreukbare zuurheid.
Weer even onverhoed als straks, begon Jan te spreken:
— Bochel... de tros is losgegooid!
Manns Peet. II