ZEVENDE HOOFDSTUK.
I
Een prooi van Corry. — Waarom Jan Gouwenaar de zee verkoos boven het saamleven met zijn teederen vader.
Een week later kwam 's avonds, in een donkre Jaagpad-sneeuwstilte éven voor Kerst, baloorige Jan Gouwenaar bij Manus Peet oploopen, onherkenbaar onder de wit-overvlokte pet. Zijn zware stappen op het steile kraaktrapje, klonken in het rustgesuizel helder-dof als bijlslagen op hout. Zoo knie-zerig-somber en zoo jammerlijk-ernstig had Peet den snel-gekrenkten zeerob nog nooit gezien. Jan zonk futloos neer op hetzelfde krukje waar een week tevoor, Bromtol had gezeten. Hij zei geen stom woord. Even dacht Manus dat hij zich wou verontschuldigen over zijn lang wegblijven, of kwaadaardig vragen ging waarom Manus nooit meer bij Vuisie of Bram Schar of een Jordaan-sjappie inzwaaide. Doch Jan Gouwenaar, d'eer-tijds fel-trotsche en tierige Corry-aanbidder, scheen alles te begrijpen en alles goed te vinden.
Het staande petroleumlampje onder het kapje, groen als een spoorsignaallicht, scheen armoedig-zuinig over de kale tafel en weifelig tegen de scheemrende vlieringmuurtjes.