159
Het gegier, gejoel en gelach drong woeliger aan, en Bromtolletje gromde de liefelijkste keelmuziek uit.
— Rats lust-ie nie en pluk heit 'r niemand feur sijn ... al staant-ie auk mit se gassie in se klewiere ...
Dirkje kuchte even en toeterde. Toen, versch, zette hij in:
— Nou heire en dames fan de Niefedijk ... set de wip aupe! Nou mot me frouw rauwweg spieje hebbe feur bonne en nou magge jullie aldegaar de seekabbelobbes, allegaar magge jullie de seekabbelobbes betaste en befoele ... want hij ademt lei-fedig en hij heit geen arrenie ... maar finne ...
Eén uit het bendetje trok den kring dadelijk rond met zijn bedelgassie, terwijl Bromtol uithijgend van zijn vermoeienis, zich een beetje geneerde en, — trots op zijn spreken, — de omstanders schuw-triomphantelijk begluurde. Van links en rechts rolden de centen de pet in van den kleinen ophaler.
Plots klonk een bang-waarschuwende stem:
— 'n Smeiris ... 'n grandiger ... jongès pleite!
De bende, angstig, schoot bijeenspringend saam. Bromtol greep snel het handvat en ratelde weg met zijn kar, een donkere zijstraat in en kreet juichend:
— An me schoen links!
Op Haarlemmerstraat en Haarlemmerdijk begon later hetzelfde spelletje en daar werd nog vetter buit bemachtigd. Alles moest Bromtol worden ingebracht. Want hij deelde met groote, doodeerlijke oogen en hij strafte met strengen knok ieder der kereltjes die het waagde ״feur eige tippel" wat achter te houden. Toch, de kost was gekocht, voor wel een heele week.
Grandiger: rechercheur. — Gassie: pet.—Pluk: werk. — Pleite: smeer hem.