157
kazerne-blazer. De schavuitjes bewonderden met gapende onderkaken en vonden de ״mesiek" ijselijk mooi en geheimzinnig ópschetteren in het schei-doorgloeide avonddonker. Het Nieuwendijk-publiek, even geschrikt en gepakt, bleef in een grooteren kring staan kijken, gichelen of schertsen. Dan herbegon Bromtolletje met zijn schalksch spot-bakkesje, zijn grooten mond nerveus uitgerekt en zijn heerlijke oogen tintel-klaar open.
— Hier minse, is te sien, de seekabbelobbes ... 't swijn-jakkie ... de loenenaar... Me hebbe de swel op 't Singel achter de Kolk gefange ...
— De Kolk gefange,.. bromden de jongens in koor mee.
— 't Merakel is bekroond mit sesensestig-duisend onder-scheidinge...
— Sesensestig-duisend!... galmden de jongens weer mee.
— Hep geen arres feur niksnie ...
— Feur niksnie,... klonk de jongensecho.
— Hij freet kippe en kipperenne, da bakkemotje,... brom-tolde Dirkje er weer onderdoor,.. en twintig mud aarepele pir hallef uur ...
— Twintig mud,... herhaalde het koortje met klem.
— En honderd bakke steenkole... en tien bakke dubbel-gesuiverde anterresiet pir dag.
De menschen rondom gierden zóó om het komische ernst-gezichtje van Bromtolletje, dat hij éven verlegen met zijn figuurtje, zoo maar in het gewoel wat uitstamelde. Maar dadelijk weer, dwars door zijn verlegenheid overmoedig, begon Dirkje opnieuw zijn taptoe-signalen te toeteren en met zijn basje aandacht te vragen ... fan de heire en dames van de Niefedijk, die meir as kimmel beis in d'r porttemeniks hebbe kleefe ...
— Vijfentwintig oorloskugge f'rslint de seekabbelobbes in ééne menuut...
— Eéne menuut,... zong de bende na.
— En de maag van die Krentemik staant nooit-nie stil.
— Nooit-nie stil,... galmde het weer na.
Loenenaar: verrader. — Arres: vrees.