56
weg op naar den Nieuwendijk, terwijl telkens uit een andere zijstraat, een oolijk peezertje, een peenmakkertje opdook en zich aansloot bij het opgedofte stoetje. Het jongste straat-schavuitje kroop vóór de Martelaarsgracht de kar in en liet zich wild oversmakken door oude zakken en voddenjassen. Bromtol imiteerde als erwtenblazer-virtuoos, een kanarie-zangslag, een roffelfluitjes-sein waarop het ventje in den wagen zich ״dood-koest" moest houden.
— Attenooj, geen woord,... fluisterde hem gesmoord, Dirkje nog toe.
Roodkleurige lappen bonden zij als hangmouwen over kar en inkruiper's armen en handen, zoodat hij ze slechts stug-kort kon bewegen als zeeleeuw-vinnen. Dirkje werd door de bende tot voorspreker geproklameerd. Magertjes stond hij in zijn bangmakertje te beven en wat koude verzinsels te bedenken. In het Nieuwendijksche avondduister, tusschen het klaterhelle licht van winkels en bioscopen, voelde hij zich eerst een beetje bedremmeld, zoo, in zijn „nakende trui".
Het menschengewoel, het schuifelen, stappen en lachen van kuierende en pret-uitstuivende meiden en kerels, bracht even een duizelige verdooving in zijn kopje. Maar gauw herstelde Bromtol zich, zette hij voor de kar, omringd van zijn roofben-detje, als stout omroeper in, en diep klonk de eigenaardige brom-tollenmuziek van zijn halve mannenstem der vroege puberteit:
— Hier minse van 't gehüchie Groot-Mokum ... hier hei je de gename seekabbelobbes, ferreeese uit oud roest!
Plots zweeg Dirkje. Voorbijgangers bleven lacherig-onge-loovig staan of schuif; lden nieuwsgierig bij, iets smonselend van brutale snotapen en behaaimakers. Bromtol's oogen leken blauwe vlammen. Met een snuif van zijn morsig vingertje onder zijn nog morsiger neus en een ruk aan zijn petklep, waaronder zijn blonde kuif uitsprietelde als een dor bosje hooi, hief hij, onverwachts grabbelend tusschen de karvodden, een zwaren toeter waarop hij jammer-huilerig begon te trompetten, halfgestikte taptoe-signalen van een verkleumden
Attenoj: Godallemachtig. — Bangmakertje: in je vestje staan.