155
door het hoongegier dat bijwijlen gillend opklonk als een Indi-aansch oorlogsgehuil, van Bromtol en zijn makkers, die vanuit een hinderlaag in spanning hun dwaze prooien hadden beloerd, zóó giftig, dat zij op de bengels wildgekrenkt losstormden. Als het tot haberdoedassen kwam, zoo hachelijk dat de schen-dertjes niet meer kónden ontloopen, dan bleef Bromtol allereerst koen en onwrikkelijk staan en week hij zelfs niet voor den dreigendsten lollebroer. Voor al zijn kameraadjes, eenmaal in den nek gegrepen, kwam hij onstuimig op en zijn aanvallen waren dan van een zoo vreeselijke, stuipachtig-doldriftige kleine-jongens-hartstochtelijkheid, dat zelfs pootige slungels zich met mannenkracht tegen het zinneloos van zich aftrappende vechtertje eenige minuten stoer moesten verweren.
's Avonds was alles ״glashard" vergeten; begon schelmsche Bromtol op de woelige Haarlemmerdijk aan te bellen; kon hij weer „bakkies beleve".
— Jeffrou ... magge me de klompe? ... vroeg hij droog een argeloos schepsel aan de deur.
Schaapachtig-onnoozel klonk de lijzige vraag:
— Witte klompe?
— Om je 'n paar blauwe oogies te stompe, Laura!... gierde dan Bromtol het dom-starende vrouwbakkes in.
En al zijn makkertjes, achter zijn rug in een rij, schaterden tartend mee.
— Hei je tug gein sjoege fan!
Plots begon Bromtol met zijn basje diep te zingen: Al sel de dufel me 'n rokkie naje, Fan hede af bin ik de kwaje ..
Zoo bracht iedere avond ander kattekwaad, vagebondage en wisselende kwajongensstreken. Doch de groote lefjool, die splint opbracht, werd voor Zaterdag bewaard. Dan, heel stiekempjes, gapte Bromtol een glanzig-bruin karretje uit de groote karrenloods, de bijbeltent van Henke. Tusschen de wemeling van wielen en onder al de handvatten werd één „gepolitoerd" wagentje niet gemist. Ratelend-vlug joeg hij den
Haberdoedassen: vechten. — Geen sjoege van hebben: geen verstand van hebben — Splint: geld.