152
— Dirrekie ... sou jij dat durrefe?
En dan stotterde hij, heel bleekjes en ontdaan ״in se eige":
— Nou ... wacht-reis efïetjes ... eerst es effe dampe!
Omdat hij van dat heele tuimelen, boven en beneden in de
wolken, geen streep begreep. Toch bleef Bromtol tegenover al zijn makkertjes en zijn moed-toetsers, snorkerig volhouden dat hij het óók kon als hij het maar eenmaal deed. En nog kordater stampte hij op zijn klompen onder het beweren, dat al dat vliegen niks geen kunst was als je het maar durfde.
Van den beruchten lijnzwenker en Jordaan-dief Stelioos, pas door een geniepigen messentrekker doodgestoken, had Bromtol eenige maanden lang allerlei bedelende roofhandigheidjes en hachelijke steeltrucs geleerd, waarvoor zijn ouders beefden, wanneer buurtgenooten of bestolenen uit den omtrek hen kwamen vergewissen dat Dirkje al die radde ״smeerlapperijen" in hartstochtelijke verdwazing toepaste: het ״pikken" van uitstalkasten, het losschroeven en meenemen van koperen naamplaten. Maar tegenover beangstigende vagebondages en booswichtjes-afdwalingen, broeisch kiemend in duistere onbewustheid en verzetzucht van klein wilskracht-loos instinctmenschje, onthulde hij innig-argelooze, kinderlijke guiterijen en ontroerende goedhartigheden. Hij kon uren en uren lang, in volslagen zelfvergetelheid zijn vader helpen in het morsige en walgelijk-zuur en naar gebrande beenderen-riekende asyltje, gehoorzaam en toch vrij.
— Wa bak jij de aarepele bruin fedaag, fliemert,... spotte zijn moeder dan wel ophitserig.
Doch met een heerlijken lach van zijn groote oogen weerlegde hij haar toorn en zong Bromtol, zonder een aartje plaagzucht, het laagste lied uit met zijn brombasje. Dan stotterde Nel, gebluft door het uitblijven van Dirkje's verweer:
— Soo'n sandhaas ... gossienikkie ... 'n goeie stem om cokes te kloppen.
Nog meer schold zij er bij, in schaamte voor haar eigen
Dampen; rooken.