i5i
— Ufes getrouwde broer heb ik op hede, klokke drie, sien loope mit se gewesene meisie!
Nel schrok. Zij dacht er niet om, dat de bengel met het ״gewesene meisie", de tégenwoordige vrouw van haar broeder bedoelde.
Zijn vader en zijn broer bestookte hij met schalksche heftigheid, zijn ooms en tantes ging hij nabootsend bespotten, zijn neefjes kregen weer muim en kleum zooveel zij begeerden, en zijn nichtjes zoende hij of schold hij voor blèrjanussen. En zijn heerlijke oogen lachten weer, flonkerend-licht als klaters, bellen en rammelaars in de handen van een kleuter, die ergens argeloos in de zon te spelen zit. In een ommezien beheerde hij weer een voetbalploeg; bracht hij stoutiglijk uit alle Jordaan-straten, op één speelveld bij elkaar: middenspelers, aaplenige binnenspelers; inloopers en achterspelers, doel- en hoekschoppers en aftrappers met modderzwarte truitjes en gaterige broeken, die de spelregels schonden, al naar het krijten van moeder, buurvrouw en buurman.
Geheimen van het vliegers-oplaten bestonden voor Dirkje evenmin. Hij vond die oplaterij en mallen staartentooi, op de keper bekeken tóch kinderachtige flauwe kul en dwaas spul, nu de echte ״affiëteurs" zoo maar in den hemel rondbromden en klapwiekten als blinkende groote vogels in het helle blauw. Wat er op de Elta, 's zomers gebeurde, gebeurde eigenlijk alléén voor Bromtol. Hij verafgoodde de vliegeniers in noord-polerige pakken, met hun verwilderende mutsen, mondklep-pen en malle brillen. Dirkje's oogen werden pure wonderen van licht en gloed als hij over Fokker en Versteegh sprak of hoorde spreken. Vliegen! Tjoe tjoe hong! Dat was anders dan iederen avond emmertjes helpen leegen onder den rioolstank van hun goot, in de vuile krotjeritserik.
Wat een vrij ademen! Hoy ... dat om-en־om duikelen van al die kerels, duizelend-hoog in de lucht, vond hij ״'n gosmerakel". Het werd zoo stil in hem van binnen als hij dét zag. Telkens, aarzelend, vroeg hij zichzelf af:
Krotjeritserik: krotjesrommel.