153
bulderen. Want Bromtol hield van vader's stumperige inschikkelijkheid en van zijn aard, die nooit naar ruzie en harde woorden stond. En in die uren deed Dirkje alles om vader's beenpijn te verzachten, al kon hij andere tijden weer, dienzelfden Frans het ergerlijkst misbruiken óm zijn zenuwachtige onderworpenheid. Ook heel gul kon Bromtolletje wezen, als zijn eigen tuchteloos-goedgeefsche moeder. Want soms ging hij al zijn zak- en snoepcenten een arm bedelwijf onder het viaduct in den schoot gooien, of voor allerarmsten uit de buurt ״'n ron-detje doen", om alles wat hij met accrobaten-trucs had losgekregen, tot den laatsten cent hen weer af te geven. Zelfs een gemeen soldaat klemde hij vast met een ironischen hekel:
— Héé ... generaal van onder of!... blaas ereis in de tuit, soo diep a-je ken!
Toch, hevig chagrijn greep Bromtol vast, onder ellende en kommer thuis, als zijn vader geen kans zag een „cent te be-disse". Vader Frans was altijd aan het keuvelen met zijn duifjes, maar moeder wist niets dan met karwats te zwaaien, te snauwen en óp te stuiven of van anderen hulp aan te kruien. Onder het al doldriftiger razen en vloeken van slabek Nel, begon Dirkje zelf terug te razen en terug te vloeken; voelde hij zich 4 dood-zenuwachtig, zijn knuisten trillen van angst en woede, al zong hij sarrig:
Turrefeglomsel in 'n testje, Veur me moes 't kwaje besje.
Hij kon nauw dulden, dat ieder gemoedelijk woord van zijn vader door Nel in snerpenden hoon werd stukgereten. De bazige strengheid van den stekeligen dasert en kapsonesgast broer Jan, verachtte hij fel, omdat de kleffert zijn vader bespotte en kleineerde in moeder's oogen.
— Dans je mee mit sau'n kippeborst... leelijke poedel... duimertje,... snauwde hij hem hoonend toe ... La lieferst je maag uitpompe!
Ook het kille, zich hoog op een afstand-houden van Corry bespuwde Bromtol en de morsige wanorde van thuis door-
Duimertje: kleintje. — Bedissen: iets verdienen. — Kapsonesgast; dwarsdrijver,