150
hij de meesters geel ergerde van gal. Door bedreigingen werd hij juist dol van verzetdrift en als Nel hem van God sprak, die al zijn ״verborgen daden" zag, dan begon hij te trampelen van giftigheid.
Middagen lang kon hij voetballen met vuile kranten opgepropt en tot een onooglijken bal gekneed. Tusschen karren en wagens, onder negotie-uitstallingen van groenten, hout en visch der daverend-drukke zijstraten, klonk het aanhitsende spelrumoer op. Alles was „kool" en „vrije skop", voor de dui-velsvlugge bengels.
Zelfs in het kersversch, schemergroen asyltje van Frans Leerlap, in de Goudsbloemdwarsstraat, waar zijn vader pas was gehuisvest, bracht hij soms beangstigende verwarringen als „mats kaptin". Zijn moeder, Nel, moest hem nu en dan wel een rammeling geven, zijn kop met klappen omkletsen en dreigen:
— Mot ik jou ereis omspitte, dodderik... jou en je heel gedoente, ellendeling? ... Wou je fader se stukkie brood nou óók renefeere? ...
Nel werd dan zoo vreeselijk grauw-wit van drift, dat zelfs Bromtol's tartende tégenfluit erbij verstomde. Na zulk een smadelijke afranseling, waarbij de broertjes en zusjes schuw stonden toe te gapen, was Bromtol in weken voor niemand te spreken. Onhandelbaarder, woester, nukkiger en vreeselijker dwanghater leek hij, dan ooit ervoor. Hij schold tegen Corry, zat vol hatelijke bedriegerijen tegenover zijn moeder, deed heel hoog tegen al de zusjes en broertjes, begluurde Jan met onheil-blik en wreekte zich wreed op zijn onnoozel-goeden vader. De zachtzinnige Frans Leerlap had het felst kwaadaardige grillen van den rekel te duchten.
Tót „aume Karei" op een goeden dag Dirk was tegengekomen op straat en die had hem weer, met een paar gelukkige en stoeische woorden, „overeind" gezet. Het wrokkend schrikbewind zijner gekrenkte eigenwaarde leek geëindigd. Bromtol begon weer te lachen, te zingen, te fluiten en allerlei vermetele straatschenderijen te doen. Zijn moeder Nel nam hij in het ootje.