149
en geniepig kattenkwaad, maar dan wist hij toch wel waarop het uitdraaide.
— Heit Karei je dan geholpe?
Stom verbaasd deed hij:
— Karei? ... Sien ik nooit-nie!
Bij Karei...
— Heit Corry je dat petje gemaakt?
— Corry? ... Wie is dat?
Bij Corry ...
— Was aume Bochel in de buurt?
— Aume Bochel? ... Al langest dood en mit eere begrafe.
Als zij wat weten wilden, moesten zij maar schokken. Met
een hoop lekkers éérst, vrat hij zijn maag gulzig dicht. En als hij zich dan eindelijk bol-gegeten had liet hij nóg niets los. Machteloos botste Corry tegen zijn sarrende geslotenheid óp. Snauwerig en stil-geërgerd vroeg zij:
— Waar was je?
— Vondelpark ... swane peste!
— Stik!
— A-je mee de weg uitgaat.
Bromtol's oogen blauwden als een zomerhemel en Cor keek verslagen, als Malle Kees. Eindelijk begon Dirkje jachtig, gnuiverig en als buiten adem te brabbelen, dat zij hem niet bij kon houden. Weer vloekte Corry en gierde muziekerig Bromtol's lach-van-binnen er tegenin. Tot hij eindelijk 's avonds, als zij het heelemaal niet meer verwachtte, onverhoed M zijn nieuws haar in het oor gutste. Dan kreeg hij van Corry voor een week lang een dravertje te huur, om al de standjes van de buurt bij te houden.
Meestal loog Bromtol zoo phantastisch en zoo grillig, dat hij in verbazing en bangigheid zichzelf ging gelooven. Woedend werd hij als men aan zijn woorden twijfelde en met een eigenzinnige leugenachtigheid overdreef hij dan, telkens koppiger, nog alle onderdeelen. Op school kreeg hij er eeuwig straf voor, maar hij bleef zoo tartend-koud voor vermaning en preek, dat
Schokken: betalen. — Dravertje: fiets.