155
schenderijen en woeste baldadigheden. Uren lang deden zij dan niets dan hoedjeswippen. Er was geen kloeker en geestiger spanner van de lijn in het donker, waartegen de kerels met hun ״gepelde eitjes" opliepen, dan Dirkje. Onstuimig speelde het schooiertje ook het rumoerige juffer-je-man-is-dronken. Hij bemachtigde de zwaarste steenen. De makkertjes bonden er zuignatte stukken touw en tengel omheen en slopen dan, sokken-zacht, op afgeteld bevel van Bromtol, naar boven, trappen hoog. Als de rotsbrokkige kei eindelijk op de bovenste treê, vlak voor een smoezel-duister deurtje lei, dan slopen de dakklauteraars en schendertjes weer poes-stil naar beneden en sjokkelden in hun logge klompen. Op een geheimzinnig Lord-Lister-sein van Bromtol moest er één rakker op straat het oude springtouwmet-den-steen wégtrekken met zulk een geweldigen ruk, dat de kei in strompelwoest geraas neerbonkerde op de trap. En dan riep gillerig-angstig, Bromtol er bovenuit:
— Tante Ka ... tant Mie ... je kairel is dronke ... hij heit 'n schraalte in se darreme!
Een ontstellend gekrijsch en treiterig gelach schoot los in het portaaltjes-duister. Van allen kant werden deuren open-gestooten in rep en roer. Want de naar buiten geschreeuwde tantes en de buren dachten in schrik, dat hun dronkenlap van een vent, van boven naar beneden was „gelaserd" en op zijn minst, bei de beenen had gebroken.
Tot het hoonend en tartend lachgegier van de jongens aan d'overkant, de nijdige wijven, vloekend van drift, deed ontdekken, dat zij plaagprooi waren geworden van het laagste tuig-van-de-beis.
Ook in het snerpende en hachelijke ruitentikken bleek hartstochtelijk-speelsch Dirkje een baas. Bij een suffigen, uit-gemagerden mandenwerker in de buurt, Ko-sta-je-vast, had Bromtol een heel lang, spaansch riet „gehandeld", toen die, voorovergebukt, alleen stond in zijn geuldonker keldertje. Dirkje kon zijn klampen niet binnenhouden.