43
— Wie is daar? ... vroeg schuw-bang de mandenmaker, toen hij plote een blonden jongen zag instormen en een lang riet meegrijpen.
— Jan-bijt-in־de-knie,... antwoordde droog Bromtol.
En tjoep, weg was hij, met twee sprongen den naargeestigen
kelder uitgerispeld.
Dirkje koesterde dat heerlijke kiewige zwiepding en oefende zijn tik-techniek overal, ״te avond en te morgen". Eindelijk uitgestudeerd, marcheerde hij met zijn kornuiten op een dwars-steeg af, tusschen wemeldrukke winkelstraten gelegen. In het donker slopen zij fluisterstil bijeen, zoo dicht mogelijk onder een paar hooge hoekstoepen. Het rapst en lenigst klauterde Bromtol naar boven, tot hij uit zijn beschaduwd schuilhoekje een groote, hei-schitterende winkelruit betikken kon. Snel en zacht eerst begon het, alsof een knerpende barst al verder en verder inscheurde. Dan werd het fijnroffelig en onverhoed, alsof een hagelbui ergens op zink neerkletterde. D'afgerichte speelmakkertjes strooiden op het hachelijkste angstmoment glasscherven voor pui en drempel. Doch het tikken en het werpen moest zoo ״uitgezaagd-fijn" op elkaar volgen, dat het niet ״echter" kon. In de winkels zelf werd het een angstig wegschieten van hevig-geschrikt personeel en bangelijke bezoekers, omdat al die mallemolens dachten dat een raam gebarsten en bezig te brokkelen was, pal over hun hoofden heen.
— Loek hullie me de pijp uitsulle,... zangerig kreten de rakkers dan en verdwenen in het donker van de dwarssteeg.
Bij de Binnen-Oranjestraat naar de Willemstraat toe, hadden zij ook, óm den avond, een vrouw tot prooi, die tegen tien uur boven haar flakkerig-bewalmde kar met appelen insliep. Allerstie-kemst, als dansende schaduwen, slopen zij achter haar besjaal-den, ingezonken rug saam. Bromtol voorop, met den oolijksten lach op zijn bakkesje en in de oogen een spottend licht, tamboer-majoorde met een gespijkerde lat. En tjoep, daar ging het, heel zachtjes en zoetjes over haar slapende hoofd heen, prik, prik, in de harde appelen. Voor de popelende en guitige smoelementjes
Loek hullie me de pijp uitsullen : kijk ze vluchten.