137
— Kijk... daar hei je 'n boschjesman... hij heit se ge-tuigejas an! Gooi 'm blind mit peper!
Tegen het schooluitgaan praaide hij zoo een beetje naar zijn buurt en drentelde dan kalmpjes tot huis. Dan beschimpte hij Paard-in-de-Schout, die gichelig met Blauwkousje uit de Palmstraat stond te smoezen, of gooide Corretje Pek met groentestronken, of hij bonsde Poffertje omver, of liep manken Jan Platvoet na. Meestal stond moeder Nel voor het deurtje zwoe-gerig en hijgend te wasschen. Wou hij binnendringen dan duwde zij hem terug met haar dampende zeepsophanden en snauwde zij Bromtol driftig toe:
— Ik sa je daar 'n broekie anmete ... wacht... wacht effe!
Waarop hij, tersneê:
— De wacht komp om tien uur ... ik mot 'r noü in!
Want Bromtol was zoetjes-aan een beetje misselijk geworden
van al dat allegaartjes-snoeien onderweg. Aan tafel verkoos het manneke geen hap.
Toch, de grootste en geheimzinnigste pret bleef voor den lokkenden stadslichtjes-avond. Dan ging hij op zijn klompen de ״Hollandia" of de „Scala"-bioscoop in. De poeremige pianoroffel klonk al van verre. Eerst luidruchtig-inlawaaiend, maar dan plotseling gebiologeerd door het duister, schoof hij op den tast naar een plaatsje vooraan en keek. En in zijn kijk omspande hij het heele doek met een alles-opslurpende aandacht. Dadelijk begon de verrukking in Bromtol zoet te broeien. Hij werd vuurrood, heet en speelde binnensmonds met zijn speeksel. Nu zwierf hij vlak bij Buffalo Bills, Nick Carters en Lord Listers. De muziek, de donkerte, het halflicht, de roode lampjes en het gefluister rondom, brachten hem tot de droomwereld waarin hij alles vergat. Voor Dirkje was er maar één leven: de avonturenfilm; in de roodbeschenen nachtzwartigheid staren naar het wonder van het lichtdoek, waarop de menschen bewegend leefden als in de werkelijkheid. Wèg Lindenstraat, wèg Willemstraat, wèg Goudsbloemdwarsstraat, wèg heel Amsterdam. Alles drong daar tezaam, op de film. Bij het geboefte was hij, en tusschen de detec-
Snoeien: snoepen.