m
Aarzelend klonk het weer:
— Soo.
— Ikke bin lieferst bokkepoot as doodgraver.
Dirk schaterde en achter zijn lach klonk weer de grom van bromtollenmuziek. Manus ontwaakte wazigjes uit zijn stroef gestaar en schertste:
— Jij bint 'r ook nie van eergistere,... morge schiet ik 'r 'n schotje voor ... dan sie je noppes.
— Oele!... bootste met een manszware stem, Dirkje zijn oom Mooie Karei na,... dan speel ikke Sneeuwwitje en ufes Roodkappie.
Met de groote-blauwe-oogen-vlam van zijn kiekers zocht Dirkje Scheendert Manus Peet te treffen. Hij begreep van den Bochel vandaag niets. Hij vond hem zoo vreemd, zoo zwerverig van aandacht, zoo onwezenlijk in zijn stem. Bromtol zinde op een aanloopje. Maar zijn knar leek dichtgevroren. Onverhoed smeet hij er weer uit met een klop op zijn petje:
— En moeder het geseit... en vader auk ... en Jan en Corry auk... me siene nie eens nie meer de skim van Aume!
De tweede bons op Manus' hart! In onstuimigheid wou hij vragen: heeft Corry dat óók gezegd? Doch traag-beheerscht en dood-kil, onverschillig, begon hij uit de verte,... bij Frans Leerlap.
— Heeft vader dat geseid?
— Ja ... maar moeder auk,... snauwde Dirkje er driftig bij.
— Moeder? ... Nee!
— Watte nee? ... En Jan dan?
— Mist mijn nie!
— Dat is d'r auk 'n faljietslag!
Het prikkelde Bromtol heftig, dat Manus niet wou gelooven.
— Nou dan ... niét dan ... Maar Corry heit 't wel driemaal geseit...
Nijdig maakte hij kopstoot-gebaren in de lucht en goochel-snel gingen zijn vuile handjes en armpjes als molenwiekjes, boven zijn gescheurd, blauw broekje om aume Bochel te overtuigen.
Bokkepoot: marinier. — Beis: straat.