129
— In één hokkekooi? ... vroeg Manus quasi belangstellend.
— Soo effetjes maar ... tut as-tie ruimte hep ... enne nou proppe hullie bij mekaar... de swarte en de eksterbonte en teméé de gele en de moorkoppe ... en doffers en duife gonge me aldegaar deur mekaar.
Hij joeg óp, Dirkje. Zijn oogen blauwden wijd en hij keek door het blauw-bewasemde raampje naar het Kerkhof alsof hij daar, tusschen de stomme zerkjes, iets zag gebeuren dat alleen hij kon zien gebeuren.
— Aume ... nee ... ferskrikkelijk ... ferskrikkelijk ... dié
kenne knokke___pikke mekaar soo de lampies uit de knar ...
alleminse!... Toe bin ikke opgefloge ... heb ikke die ééne, die moor ... bom!___de krop ingetrapt.
Manus schrok.
— Watte?
Dirkje's straatjongens-oogen gloeiden van triomph en groot-schigheid, en goochelsnel zwaaide hij weer zijn armen en handen als wieken om. Opgewonden schreeuwde Bromtol:
— M6 hij sijn dan de auge uitpikke? ... Ikke heb nie ge-magge, maar hij hep auk nie gemagge ... En toe ... toe gaf ik die eksterbonte 'n mep mit me dolfer soo hartstikke feur se harses ... Au ... aume ... aume ... hij tolde sóó in 't natte krulsaagsel. Die kon kuijere mit se onke... en... enne vader heit sitte griene. Ikke wild ... mot-ie maar nié blerre.
Manus gromde een vermaning uit tegen den jongen en zei vermetel, ondanks zijn snakken naar meer, dat hij verder niets wou weten van thuis. Bromtol narrig en plagerig er tegenin, vond het nu juist ״gekloft" wél te vertellen.
— Moeder was effetjes pleite ... toe 't gebeurde.
Oversluw en stoeisch lichtten Bromtol's oogen, loerend op
den Bochel, en sarrend klonk zijn stem.
— Soo,... zei Peet dof.
— Toe ... toe kwam Corry thuis mit 'n mond fol flooiedrop.
Manus bleef roereloos. Alleen zijn pijp beefde heel even
tusschen zijn lippen.
Pleite: weg. — Dolfer: boksijzer. — Mit se onke: in zijn eentje.
Manus Peet. g