27
Manus deed dood-onverschillig, alsof hij' om het geval niets gaf en alles alléén wou weten van het asyl.
— Ja aume ... kenijne hebbe me auk ... bonte ... Freite niks as hooi en de rammelaars, de rammelaars... die seikers bijte ...
— 'n Aardig Arke Noachie,... spotte Manus.
— Seit moeder auk.
— En 't witte duifie bin jij, hè?
Dirkje bedwong een schaamteblosje. Toen schuchter eerst, ging hij weer door, in vertel-extaze.
— En ... en ... en vader snijt katers.
— Da's gemeen,... viel barsch Manus uit achter zijn rookwolk.
— Nee nietes,... vader snijt géén katers ... maar moeder seit dat 't mot... Maar vader seit... nee ... ik pijnig geen beeste. Doen Eenpaut 't.
Klemmend-zacht vroeg Manus:
— En jij rakker?
Dirkje lispelde iets verlegen en heel diepzinnig bestaarde hij de groefjes van zijn vingerkootjes.
— Auk wel-ereis,... bekende hij bedremmeld... Vader doent auk ... as ... as 't erg druk leit!... Maar vijf kenijne hebbe trommelsucht...
Argeloos telde hij af op zijn smerige topjes:
— Kijke? ... een ... twei... drie,... gut aume,... die heppe sukke jofene ponempies!... Te tochtig seit vader ... in de hokkies van 't plaatsie!
Manus doolde en tastte. Hij moest weer sturen en een ietsje dwingen.
— Is t'r plaats voor jullie allemaal thuis?
— En-of!... Vader krijgt de bofekelder auk meskien.
Doch plots ontglipte Bromtol en zwaaide weer terug naar
de aquariums.
— Aume ... ikke hep de rotswerrekies mit ses poortjes uit-geslepe ... ikke ...
Jofene ponempies: aardige smoeltjes.