125
— Soo,... stemde Manus wijs in.
— Van alles ... fijn ... Vluchduife ... 'n hoop ... en tuimelaars, drie, en postduife... jofene prijswinners ... De slink-vlieger is siek... die heit de pokke... hij heit d'r 'n eige hokkie.
— Soo-soo,... goeiïgde Manus bij.
Een stilletje zoog zacht tusschen Manus en het kind. Bromtol voelde bang de spanning nog natintelen van Bad-Aap's dreigwoorden. En Manus wachtte, wachtte op onthullingen, dood-geduldig en doodelijk omzichtig. Want eindelijk moest hij toch iets hooren van het gezin.
— Sit-ie fijn bij 'n doffer... maar die freet feur geen spak... Vader seit... hij is swaarmoedig ... hij treurt... da knolgewas leit se eige te verleppe!
Manus kuchte.
— Hm ... hm ... mooi.
— Se andere helft kwijt.
Dirkje lachte oolijk, met slimme knipoogjes van vroegrijpen begrijper.
— 'n Heel asijl... fol... propfol... Toon Kliekie heit 't gesien en Jaapie Vogel... heit pas drie mermotjes gekocht enne .. enne bij Onkie geruild veur twee Lord Listers.
Weer zoog een stiltetje zacht de spanning op. Manus wolk-te. Zijn heel gezicht duisterde weg achter damp. Alleen door de kin, ingedrongen op zijn hooge borst, ging een nerveuze beeftrek. Peet besefte dat hij toch iets vragen moest, om het gesprek zachtjes-aan te sturen.
— Heit vader dan toch dat woninkie gekrege?
— Belam,... en־óf,... jubelde Dirkje,... mit de heele kelder d'r naast feur asyl... 'n Pens van 'n kairel hep vader gehollepe!
— Geholpe?
— En-óf!
— Da's knap.
— Mit poen!
Manus leek nog meer ineen te schrompelen. Traag, stil, peinzend haperde zijn stem; kuchte hij weer achter den damp:
Geen spak: geen cent. — Jofene: fijn.