124
kloft... en tjompe-me biertonnetjes ... tien, ׳ lurpe ... op de kaai... bij 't Vlondertje.
— Jij geeft tekst en tégetekst tegelijk,... lachte Manus beduusd.
— Enne,... extasieerde zijn stem... gekloft... bierlucht,... sijn asem en mijnes ... enne heppe-me al tuk ... heppe-me ap-pele mit rooje wangetjes in de kluisgate ... Malle Mie in de Krommert... is d'r, feur-a־je krinkdarm in de knoop sit!
— Tóch mö-je leere joy,... bracht Manus er weer goedig-gedwee tegenin.
Weer gilde Dirkje een kreet uit en door zijn groote oogen flitste weerlichtgloed. Het blauw schroeide van woede en hij stotterde afgebrokkelde zinnetjes, ziedend in zijn mondschuim.
— Maak geen dros meer,... draaide Peet weer bij,... wa je nie wil da wil je nie!
Dirkje herademde wijd. Er begon weer een gevoelige glans in zijn kijkers te dartelen. Manus had een nieuwe sigaar opgestoken en wolkte roereloos ineengedoken. Zijn eene oog kneep hij hardnekkig-lang dicht. De stilte bekriebelde Bromtol overal, angstig. Zijn bakkesje verwrong nerveus gejaagd en er spande zich iets in zijn tronietje tot nijdig-scherpe zelfverdediging. Schuw zat hij weer te schommelen met zijn beenen op en neer, en de klompneuzen telkens weer deden ״krak" tegen den rand van het bedsteêtje. Op het dreigende zwijgen plots viel heel beverig en bevreesd Dirkje's jongensstem met zenuw-achtig-schellen klank nu, uit zijn heeschheid losgeworsteld:
— Vader heit 'n heele kwak nuufe duife ...
Aarzelend en half gerustgesteld loerde Dirkje schuw naar Manus achter den sigarendamp. Zijn oogopslag was één zoet geloof en schuchter gebed. Ook Manus dacht:
— Nou pakt de jonge uit.
Een schok van blijdschap schoot weer door zijn hart.
— 'n Heel asyl heit vader nou ... tweekamers diep,... 'n heele kelder naast ware me wone ...
Kluisgate; oogen. — Geen dros maken: geen koude drukte maken.