123
Rijksgesticht, maar dat er ״noppes van niks" kwam, omdat moeder liever boetegeld leende en dokte.
Hij praatte nu knus en half-genant-laeherig-vertrouwelijk met Manus. Omdat die tóch nooit iets verried en nooit valsch op hem werd vertelde hij de hachelijkste streken, van schenderijen, gewelddadigheden, van insluipingen en straatrooverijtjes. Jachterig brabbelde Dirkje door, terwijl hij weer een nieuw piraatje had opgestoken, uit zijn eigen smoezelig manchesterzakje opgediept. Juist toen Bromtol in zichzelf pruttelde:
— Lekker ... de Bochel drenst nooit en sponst nooit!... viel Manus uit:
— Maar soo leer je niks, joy!.. groei je op voor de bajes!
Met een woedenden smak gooide Dirk zijn brandende cigaret
tegen het rechterluikje en met een bevenden snauw sputterde hij dolgiftig naar Peet, weer half stikkend van kwaadaardigheid:
— Leere? ... Ik wil nie leere ... Ikke ... ikke steek se me nijf in de auge ... as se me dwinge ... Ik wil... wil... wil nie leere ... ik wil nie!
Hij was opgestaan en trampelde op zijn klompen, in dolzinnige woestelingendrift.
— Sjakies Bromtol... of ik gooi je teméé deur 't linker-luikie de Schinkel in ... plons!... daa lig je!
Bromtol gromde wat doffe keelmuziek.
— Je bint 'n broeier en je blijft 'n broeier,... Zei Manus een beetje ontroerd door Bromtol's wanhoopssmart.
Nu, met een weeke, onderworpene kerming in zijn trillende stem, huilde Dirkje half:
— Toon Kliekie wil óók nie skool... en Billeritchie óók ׳ nie.
En alsof hij plotseling in een openbaring leefde, zoo snel ging zijn bangelijk gekreun over in jubelende vervoering, hakkelde Dirkje met glundere stemstootjes:
— Hojewie... aume Bochel... om acht... acht uur hoeke-me al... ikke en Bruggeoptrekker ,. fijn ... bom ... ge-
Nijf: mes. — Broeier: zwerver.