122
— Vader seit... mit de nattigheid komme se aggele, de dauwwurm ... komme se gekloft op d'r jofene hiepe. Mó-je se me mit de punt van 'n ouwe swerrefer opgrave... en a-je ... 3-je dan 'n drafertje heb ... breng je se op!... Want vader is branderig op aas... en Trui van de Elleboogsteeg geef me feur 'n heule bak tien spie ... en Riek, de kartenaajemeid uit de Krommert... koop se feur d'r vrijer ... en de brugop-trekker van de Eenhoorn ... die seit dat-ie iedere week hebbe mot... aars sal-ie je f'rkonkelemiene — Feur mijn mag-ie hange an de drie tauretjes achter de Korte.
Met een stem als een orgel dat plotseling invalt, baste Ma-nus plots:
— Maar je school jonge ... je school?
Dirkje schrok hevig en zijn oogen sperden angstig-wijd, wierden één blauwte met helle benauwenis erin.
— Skool?___Wa skool? ... Niks skool... 'n pestslag skool!
Drift en venijn verwrongen zijn bakkesje. Naar vóór stompte
hij zijn modderknuistjes alsof hij Manus wou aanvallen.
— Hou je sjakies,... weerde Manus met een rustige stem, kalm af.
Het potkacheltje knetterde en sterrenvonken spatten de open aschklep uit.
School- en bankendwang was voor Dirkje een dierlijke pijniging. Wilde verontrusting schoot zijn, van woede halfverblinde haatoogen in, als hij er maar even van hoorde reppen. Met onbeschaamde openhartigheid vertelde hij Manus van zijn ezeltjes-piepen, van zijn baaien en zijn kleine diefstalletjes; van zijn looze streken en zijn sluwe oplichterijtjes. Het wemelde in zijn spraakgebruik van kippen, russen, prinsemerei, koperen bouten die kwiek op de beis scharrelden en die hij misleid, uitgescholden of zwaar beleedigd had. En hij vertelde happig-opschepperig, met potsierlijk-overdreven gruwelijk-heidsbeklemtoning, dat hij onder toezicht stond van de politie en van een ״opperkairel" van Doetechim... dat zij hem hadden gedreigd naar de tuchtschool te zullen sturen of naar een
Aggelen: eten. — Jofeni hiepen:goede schoenen — Zwerver:parapluie. — Dravertje: fiets. — Korte: Prinsengracht. — Sjakies: kalm. — Ezeltjes-piepen: ladelichten. — Baaian: stelen. — Beis: straat.