120
Zonken, beteuterden Manus achter zijn verbergende rookwolken. Door Dirkje's stem schoot nu hatelijk, een ironisch lachje. Hij keek schalks, glunder, gemeen, en Peet gromde in zichzelf:
— Dat leelijke zotte katertje ... hij deê warendig al net soo speelsch-wreed als Corry!
Bromtol hijgde van vinnig plezier, alsof hij zich buiten adem geloopen had en hij schreeuwde, opgewonden:
— Wiedes!... aume Bochel... mit de blauwe koppe,... belam! Maar je mot grabbele ... tut... tut heel an de dood-kiste toé ... ka mijn nie kanisse!
Onstuimig zwaaide Bromtol om en om, al zijn slagwoorden, al zijn zinnetjes, en zijn armen wentelden snel als molenwiekjes-in-wind.
— Kedin ... op baarsies hei je hullie óók ... Se kleefere onder 't kroos, fochtig; o soo fochtig senooris!
— Senooris? ... Wat hiet-ter soo?
— Van Jan Gouwenaar geleerd ... Senooris!... Wil segge seit-ie ... meheir!
— Soo!
— Kedin ... bom!... Mit 'n daai en 'n soeslap geef je se 'n trap feur hullie kiese ... motte mijn nie pééje ... si 'k se skil-le ... sa 'k se kerrefe ... sa 'k 't kou'tje trekke!
Een wreede woede vloekte in d'oogen van den kleinen snoever.
— Kronkelde me hullie onder 't kroos ... heel in de diepte.
Manus begreep nu volop. Er zat kruim in den jongen. Het
schobbejakje kende al de wegen om Amsterdam, door zijn hengelen met de makkertjes. Met grootemans-pootigheid en bazigheid sprak hij over wormen en al soorten van aas, noo-dig voor snoek, baars, paling of zeelt, en ook gaarde hij voedsel voor Frans Leerlap's aquarium-vischjes en vogeltjes; wormen het meest, op vochtigen grond, tot héél op het kerkhofje ״Te Vraag". Even gaf het Manus een griezelige gewaarwording en iets van angstig-benauwende deernis, toen hij bedacht, dat al die stille en plechtige zerkjes, vlak voor
Kou'tje trekken: mestrekke׳!.