i!8
— Schobbetje gemaakt?
— Aume ... hei je 't in de smiese?
Bromtol lachte muziekerig en zweeg. Toen, na een poosje, voelde beweeglijk Dirkje een spreekkriebeling op de tong.
De Bochel zei niets; zat maar op zijn zitterik, vlak tegenover hem, met zijn misvormde beentjes boven de vonkenstui-vende aschklep van het pietluttige potkacheltje. Gek. En ״aume Bochel" vroeg een heel tijdje nóg niets. Gekker!
Maar Manus verschanste zich vaardiglijk achter zijn stilte en loerde toch stiekem uit met één open oog, naar de onge-duldsgrimassen van het kereltje. Dirkje zat er heel parmantig op zijn krukje, met zijn vuilgrijze pet zoo diep over den blonden kop getrokken, dat de ooren alleen wijd uittrechterden onder den rand. Zijn afgekaald manchester-jasje hing aan fladders op zijn paarse trui en ook zijn gehavend blauw broekje leek scheur onder scheur. Met de modderzwarte knuistjes zat hij al dieper het piraatje zijn pijpeke in te morrelen, vloek na vloek er giftig tusschen rinkelend, omdat het niet trekken wou. En Manus zon en peinsde midlerwijl listig, hoe hij het moest aanleggen om iets te hooren van Corry, Frans en Nel.
— Ikke fang altoos de dikste,... viel plots Dirkje uit met zijn bromtollerigste stem.
Onpeilbaar raadsel voor Manus! Wat zou de jongen bedoelen? Wat was dat nou voor een schijnworp? Vroeg Peet verklaring dan was hij opnieuw verloren en ontglipte het manneke eêr hij het besefte. Heen en weer, heen en weer schommelde Dirkje's voeten. Zijn klompen raakten telkens met een „krak", speelsch den rand van Manus' bedstee. De guit bleef een en al geheimzinnigheid. Toch deed Manus, in subtiele omzichtigheid, alsof het iets doodgewoon-begrijpelijks was wat Bromtol zei en Peet zelfs niet de moeite behoefde te nemen, te antwoorden.
— Die bliksemstien!... dacht Manus.
Want er volgde geen syllabetje opheldering. Peet wolkte zwaar, al zwaarder en Dirkje er tegenin, deed kleine, stugge
Schobbetje maken: stukjes draaien. — Zitterik: stoel.