117
vuitje van dertien jaar, leefde hij met zijn roerige bendetje al op een soort ontstelteniswekkende straatschenners-faam.
Manus, na maanden niets van Frans Leerlap's gezin gezien noch gehoord te hebben, was heel blij dat zoo plotseling het zwervertje opdook, al liet hij er het ventje niets van merken. Aarzelend, in aangroeiing van vage onrust, klonk Peet's vraag:
— En ... enne ... seg ereis gesel... wie heit je hierheen geblase? ... Toontje Trip of Voetje Wip?
— Wist 'k aume ...
— Wat wist je?
— Wist 'k aume!
Dirkje's oogen blauwden als een zomerhemel, stralend-diep en triomphantelijk. Méér kon Bromtol niet loslaten: een beetje grommerige en hardnekkige stemmemuziek, heelemaal binnen in zijn duister keeltje. Manus lachte; begreep; kneep zijn linkeroog langzaam dicht en wolkte.
Met dat dwarskoppige hinkelaartje was het heel lastig omspringen. Als je iets uit hem wou krijgen, speelde hij stommetje en als je deed alsof je niets weten wou, verklapte hij in ver-warrenden praatdrang, alles. Manus beefde van verlangen, een luttel woord te hooren over Corry, maar tot zichzelf knorde hij:
— Pas op ... pas óp kerel. .. aars bi je onder de panne!... As dat gnuivende heibelaartje 't mork bleef-ie sarre of mokke.
Manus wreef onder het rooken bangelijk-omzichtig, met een zeemlapje zijn nervig ganzepootje op. Het glom ebbenhout-zwart als een lachend nikkerbakkesje.
Dirkje loerde afgunstig; zijn hartje hunkerde.
— Wat span je, slokop?... Ook 'n smookie?... noodde Manus.
— Kedin aume ... ik lens reuse ... uufs pypie ... fijn!
Peet grabbelde een piraatje op uit een oud-koper testje en
gretig greep Dirkje toe.
Manus zat weer roereloos, rookte en omwolkte zich als een Indiaan die op de vredespijp lurkte, met stillen, zwijgenden damp. Op schier vraagloozen toon zei hij traag:
pannen: verlangend kijken. — Piraatje: cigaretje. — Lenzen: uitloeren.