vreter, geheel naar de innerlijke, geestelijke beteekenis, de woorden van een Thomas tot zijn geest maken..." Allen zijn wij zwak, maar gij moogt niemand voor zwakker houden dan uzelve"? Peet lachte alweer stilletjes bij de idee, dat zoo een Katholiek, die al zijn innerlijke kennis op goddelijke dingen richtte, of een in het Godsbestier verzonken Jesuïet of een Benedictijner met al zijn orderegelen, zich éven zwak en slecht zou vinden, éven verachtelijk en klef als het Joodje Wijnkoop of het Joodje Kleerekooper, die Manus nu al eenige malen had hooren spreken in dol-oproerige vergaderingen. En hoe stonden allerlei socialistische sinjeurtjes, vroeg Manus zich af, in hun propagandistische ijverwoede en in de agitatorische hitte van zwetsende en sputterende bekeeringstaal, tegenover hun dwalende medemenschen en tegenstanders? Voor Manus Peet moest ieder woord raak als een muntslag zijn en uit een oer-diepe ontroering opdoemen. Daarom vond Manus alle verstarde propaganda uit den booze. Het was lauwe of kil-ver-standelijke herhaling van de herhaling en dood-overgeleuterd, versteend gevoel, waar geen aartje ziel meer in sprong, trilde of meebewoog. Tante Doortje uit de Sint-Annedwarsstraat, die magnetiseerde, had dezelfde verstokte kracht en dezelfde alles-afketsende stem als betaalde praters en beginselen-verdedigers van een sociale leer. En die had Manus met levendigheid nog wel eens hooren dreigen, na consult:
— A-je nie dokt... bijt ik je de strot af!
Wég de inwendige tweespalt. Leef in gemoedsrust en ingekeerdheid des harten ... leerde hem Thomas. Maar zijn over-, over-, overgrootvader, die dwepende Naaktlooper, zwierf als een brooddronken en slempend muiteling achter de veste en kreeg zijn gemoedsrust eerst als hij in een aanklagend verzet kon rammeien en vervloeken, primaten en hooge hansen en allerlei vleeschelijke lust-menschen. Gemoedsrust was al zoo lang gepreekt, vóór Christus, en vóór dezen waren het weer anderen geweest die er zoetzinnig van keuvelden. Voor Manus was ook dat weer een verwarringwekkend, gek woord.