107
hoedanigheden, in de plassen en moerassen hunner ontgoochelingen kreupel struikelden. Hij had ze zien loopen, de snorkende kwasten, de quasi-nederigen, het boekje van Thomas in den smoezeligen zak. En hun monden overdreigden de Openbaringen: Vrees God en schenk Hem Heerlijkheid, want de uren zijns Oordeels zijn genaderd, — of hun stemmen psalmodiëerden: Die in de Schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. O, het klonk zoo buitenwereldsch en zoet. Maar Peet had ze ontmoet, schriel, eigenwijs, potsierlijk en belachelijk-hoo-vaardig op hun deemoed, ijdel op hun nederigheid en in stilte bluffend op hun wereld-verloochening van geld, roem en eer.
Doch telkens weer dacht hij aan Paulus en de zóemend-lokkende en verdorven oude stad Corinthe met haar gewijde ontucht; dacht hij aan de wilsdriftige Heidenen en aan de nauw-beteugelden van de eerste Christen-gemeente. Telkens dacht hij aan de onvoorziens-bekeerde Joden en de jaloersche Joden; zag hij verbleekte en verwrongen mombakkesen.
Al mijmerend ervoer Manus voor zichzelf, dat vanaf den eersten dag dezer zoete predikingen tot op het plofferige heden, de mensch zich bedwelmde aan troostwoorden, aan levenskracht-dempende spreuken, aan besmonselde vertrouwe-nissen, doch dat de mensch was gebleven de onverwoestbare Zelfmisleider, de onwrikkelijke en vermetele leugenaar, de tragische draaikolk rond waarheid en recht. Manus ervoer, dat al het hunkeren naar toepassing van leer en geestelijke kennis, en al het verlangen naar het geheime inwezen der dingen, bij de medeschepselen slechts ontaardde in verfijnd spel van huichelarij, in vinnige narrerij, in veinzende geloofs-gemeenheid of uitmergelende daden-afpersing.
Een demonische spot kittelde weer in hem óp, als hij bleef nagaan hoe deze monnikachtige levens-zuiveraar Thomas a Kempis door zoethartige nakrijtertjes werd misbruikt.
Weer glansde het oude pagina'tje van zijn heel oude, heilige boekje óp in het avondlicht, waar hij bij den inleider las: