io8
״Iedere zinsnede passé men op zichzelve toe, dan zal de dauw van God's genade, die nu eenmaal aan dit weergalooze werkje verbonden schijnt, ook de aarde van ons hart bevochtigen".
Ziet ge de duivelsooren van Mephisto, Manus? O dat zoete en zachte, dat deemoedige en in eenvoud des harten dwepend hunkeren van de eenvoudige zielen! Hoe roert het en hoe laat het ons stamelen van verbazing en ontstelling, dat zulke wezens er bestaan. Zij begeeren niets, geen eer, geen kennis, geen schatten, geen bezit. Job, de tragisch-vertwijfelde, op zijn mesthoop, leek één godlasterend brok ongeduld er naast. Zij zijn of nederige landbouwers of eenvoudige werkers, die nooit door zucht naar overmatige kennis zijn gekweld. Zij leiden een goed en rustig en vroom leven. Zij beseffen intuïtief, dat het aantal dingen waar zij nooit iets van zullen weten en dat geheel verborgen voor hun zal blijven, oneindig veel grooter is dan het aantal dingen waarvan zij wel iets kunnen beseffen. Zij hebben van zichzelf geringen, en van anderen altijd een hoogen dunk. Want htin Christus en hun Thomas a Kempis leert: „Al zaagt gij een ander klaarblijkelijk zondigen of sommigen zelfs zware misdrijven begaan, nog zoudt gij uzelve niet voor beter moeten aanzien, want gij weet niet hoe lang gij in het goede staande kunt blijven." Dit edelmoedige en zachtzinnige las Manus wel tienmaal over, omdat het voorbij ging vol krullen en kromme lijnen. Hij murmelde tot zichzelf weer: was het niet de heilige Franciscus die keuvelde met de leliën en sprak met de zwaluwen? Ook Manus zou dit oneindig liever doen dan met menschen babbelen. Hij haalde weer den landman, den nederigste voor zich, die dit woord van den Thomas-vereerder in volle geestelijke diepte zou moeten begrijpen
Manus riep opnieuw vóór zich den eenvoudige van ziel, den rein-vrome die deze zinsnee van uur tot uur, van minuut tot minuut, tot een levenden drang in zijn aan- en weggolvende gedachten wist vast te houden. Ook Peet verrichtte, onder