io6
zag ze lachen, de sluwe en geraffineerde geniepigers, om de koddige argeloosheid van den enkeling die aanschoot op de ״vrijmakende waarheid". Hij zag ze lachen om de pijnlijk-smachtende onrust van een hunkerend gemoed, dat overspat stond tusschen de branding van werkelijkheid en schijn, en dat telkens zelf ervoer, hoe een vrijgemaakt hart door waarheid, eerst wezenlijk gevangen, vernederd en vertrapt lei, verloochend en verleugend brak. Manus wou hem levend en hijgend vóór zich zien, den mensch die zijn eigen zonden en misdaden brandmerkt in het wrange en martelende berouw van zijn egoïstische ziel en die tegelijk zich nimmer om zijn goede werking iets verbeeldde te beteekenen. Hij wou ze zien, spreken, tasten, bestaren, al de menschen die verklaarden dat zij onderhevig aan vreeselijke aandriften of verborgen lage gedachten en aandoeningen, uit hun eigen ingewikkeldheid niet meer wijs konden worden. Wie onderzocht er bij dag, bij avond, bij nacht, al zijn ongerechtigheden en wie stelde voor zichzelve vast, hoeveel goeds hij ieder uur verwaarloosde te doen? Ook in de zingende stilte van zijn avondkluisje, dat zoo goudig duisterde in het petroleum-lampelicht, hoorde Manus de vroomdringende woorden van Thomas a Kempis in zijn „Gulden Boekske" gelijk een zoete en onprikkelbare troost voor het oproerige en dwarse gemoed opklinken als een levenswijsheid van zachte innigheid en toch tegelijk inscheurend en ingrijpend en ontstellend van eischen. Doch hij zou dat bovenmenschelijk-diepere, aarzelend en heel omzichtig volgen. Want Manus meende, dat geen enkel wezen zich mocht verbeelden deze leer in zijn bloed en in zijn geest te hebben opgenomen, als hij niet zin voor zin en woord voor woord, in daden tot onbewaasde realiteit kon maken. Voor velen was het een genadelijke catechisatie-troost, te weten, dat al deze zalige en rustige wijsheids-woordjes uit het hoofd konden worden geleerd. Manus schaterde om het onbedremmelde Thomas a Kempis-je spelen van allerlei voortvluchtige illusionisten, die met de grilzieke oppervlakkigheid van hun bazige